| You are here: Louk-Home ⇒ Genealogy ⇒ Ferreris ⇒ Gen. nr. 3 |
3a. Dr. Mr. Bernard (Beernt) Ferreris (Farreris), geb. Amersfoort 1603/04, ovl. na 1641, ingeschreven als student rechten aan de Illustre School te Harderwijk 1623 ("Bernardus Farreris"), [1] ingeschreven als student rechten aan de Universiteit van Leiden 31-3-1624 ("Bernardus Farreris, Amersfurtius. 20"(jaar)),[2] doctor juris te Amersfoort (1628), licentiaat rechten (1628-1641), advocaat aan het Hof van Utrecht (1630), tafelhouder van de bank van lening te Enkhuizen (1641), otr. Amersfoort geref. 4-10-1628, otr./tr. Enkhuizen gerecht 13/24-10-1628 Susanna (de) Lavia, ovl. na 1668, j.d. wonend op de Breestraat te Enkhuizen (1628), doopget. (1637, 1648), dr. van François (Fransisco) Corneliszn Lavia, bank van leninghouder te Enkhuizen, en Cornelia Battibois (zie ⇒ Kwartierstaat Van Schothorst nr. 2714).
Zusanna la Via en echtgenoot Bernardijn Ferreris, advocaat aan het Hof van Utrecht, vragen octrooi aan om te testeren 1-5-1630.[3]
Op 15-9-1636 verkoopt Mr. Bernard Ferreris, der beiden rechten licentiaet, voor hemzelf en zich sterkmakend voor zijn vrouw en zijn mondige zusters en broeders, mitsgaders namens Pauli Ermilio Ferreris als oom en momber over de onmondige zusters van de comparant, aan jonker Jelis de Ridder van Lunenborch, huis, hof en hofstede staande en gelegen in de Scherbierstraat mitsgaders twee bezijden woningen aan de kopzijde van dien zoals nagelaten zijn door wijlen Theodoro Ferreris,. [4]
Op 1-6-1641 verkopen Joanna Ferreris, mondige dochter van zaliger Theodoro Ferreris en Juffrouwe Henrica Both, haar overleden ouders en Paulo Emilis Ferreris als gemachtigde van Bernard Ferreris, licentiaat in de rechten en ten behoeven van de bank van leningen te Enkhuizen voor hemzelf en zijn huisvrouw, en zijn broer Henric Ferreris en zijn vrouw, voorts voor alle zijn broers en zusters, mede-erfgenamen van zijn ouders Theodoro Ferreris en Henrica Both (procuratie Enkhuizen) aan Henric en Willem Jansz van Raelthe, broers en hun huisvrouwen en erven, zekere Alingh hog, tevoren twee halve, nu samen, buiten de Bloemendalsepoort in de Horseweide, belend door Roel Boelhouwer, met hof en boomgaard, door de weduwe van Beernt Huijgen en Gerard de Wijs, met hoven en boomgaarden, door de weduwe en erfgenamen van Willem Moij, voor: de gemene weg, achter: de buursteeg. Er is sprake van 300 gulden aan oud-burgemeester Peter de Goijer. Voldaan. [5]
Op 1-6-1641 verkoopt Paulo Emilis Ferreris, gemachtigde voor Bernard Ferreris, licentiaat in de rechten en tafelhouder van de bank van lening te Enkhuizen, voor hemzelf en voor hun vrouwen, zijn broer Henric Ferraris en zijn vrouw en namens al hun andere zusters en broers, erfgenamen Constituanis Ouders Theodoro Ferreris en Henrica Both zaliger (procuratie te Enkhuizen), aan Gerard Martenss Verwel, zijn vrouw en hun erven, 3 huizen met hoven daarachter, in de Muurhuizen en het ledige erfje ervoor met een houten schutting, belend door de erfgenamen van Joris van der Maeth, door Johan Baptissen Bollano, belast met 9 stuivers, 2 pennigen per jaar aan de Vicarie bij Cornelis Both, 3 gulden, 10 stuivers per jaar aan Gerard van Ameronghen te Rhenen voor hemzelf of zekere vicarie, nog 12 gulden per jaar aan de burgemeester Jonker Johan van Wijnbergen. Voldaan. [6]
Op 22-2-1653 verkoopt de gemachtigde van Gerard van der Meulen, wijnkoper, en zijn vrouw Goutgen Vosch, en van Henrick van Ommeren, Raad, en zijn vrouw Agneta Vosch, aan de Heer Henrick van Schaeck, medisch doctor en Raad en zijn erven, een huis en plaats op de Kortegracht bij de vismarkt te Amersfoort, belend aan de ene zijde: de weduwe van Lodowijck Woutersz, brouwer, aan de andere zijde: een gang. [10]
Op 27-2-1703 procedeert Johanna Japin, wed. van Ds. Hermannus de Lespierre, als lasthebster van Beatrix de Ferreris, wed. van Ds. Johannes de Lespierre, voor wie optreedt Dr. Petrus de Lespierre, contra Jacobus Wigmans en Rinske Brunsvelt, echtelieden, inzake 64 car. gls. huishuur, volgens huurcontract d.d. 19 jan. 1702, van een huis aan de Grachtswal, buiten Leeuwarden gelegen. [21]
Op 17-11-1711 wordt Beatrix de Lespierre, oud 53 jaar, gehoord als getuige in de procedure aangespannen door Balthasar Oldendorp c.s. contra haar volle nichten Elisabeth de Barone en Catharina Beatrix de Barone, dochters van Johan de Barone, bank van lening en "tafelhouder" te Sneek, en Alexandrina de Ferreris. Deze laatste was een dochter van Bernard Pauloszn de Ferreris, aanvankelgk tafelhouder te Sneek, nadien tafelhouder te Arnhem in de Oeverstraat, terwijl hij ook als zodanig in Deventer teruggevonden werd. In deze enquete verklaarde zij dat zij in 1672 bij de inval der Fransen met haar moeder was gevlucht naar Sneek vanuit Arnhem, waar zij met haar moeder eveneens in de Oeverstraat woonde. Ook Bernard Pauloszn de Ferreris vluchtte uit Arnhem naar Sneek, tezamen met zijn tweede vrouw en zun jongste zoon Dr. Gijsbert de Ferreris. Hij reisde door naar Amsterdam, waar hij voor 16 juli 1672 overleed. Uit zijn eerste huwelijk met Elisabeth Kriex liet hij 3 kinderen na: Alexandrina de Ferreris, Jacobus de Ferreris en Gijsbert de Ferreris. Voor de gedaagden trad op Dr. Bernhardus Swalue [22]
|
Allegorie op Het goede bestuur door T(heodorus) Ferreris (1639-1692).
Schoorsteenstuk, 191x181 cm Datering: 1671 Locatie: Stadhuis Haarlem |
Idem met lijst en deel van de schouw
| Foto's: (c) Peter L. Goutbeek, 2010 klik op plaatje(s) om te vergroten |
3b. Hen(d)rick Ferreris, j.m. van Amersfoort, wonend op de Brestraat te Enkhuizen (1634), otr. Amersfoort geref. 4-12-1634 (de geboden zijn aangetekend te Enkhuizen), otr. Enkhuizen 15-12-1634 (3e gebod), Hester (Esther) Lavia, ged. Enkhuizen 12-5-1611[38], j.d. van Enkhuizen (1634), wonend op de Brestraat te Enkhuizen (1634), doopget. (1635..1649), dr. van François (Fransisco) Corneliszn Lavia, bank van leninghouder te Enkhuizen, en Cornelia Battibois (zie ⇒ Kwartierstaat Van Schothorst nr. 2714).
Op 8-12-1652 testeert Ida van Tongeren waarbij zij o.a. bepaalt dat uit de nalatenschap "haer soon Cornelis Huych (kan worden) opgetrocken in de studien soo sijne sindelyckheyt daer toe mocht strecken ende voochden sulcks dienstich mochten oordeelen".[43]
| COMMENTAAR(¥) Zie hieronder bij Gijsbrecht de Ferreris. |
3c. Mr. Bernard Pauloszn (de) Ferreris (Fararis, Faratis, Farrans, Ferrerus), geb./ged. geref. Amersfoort 14/16-4-1605, ovl. Amsterdam ca. 1-7-1672, beg. Sneek, ingeschreven als leerling aan de illustere school of gymnasium te Harderwijk (1623),[47]
ingeschreven als student rechten aan de Universiteit van Leiden 31-3-1624 ("Bernardus Farreris, Amersfurtius, 20 (jaar) sic!"),[48]
afkomstig van Utrecht en Amersfoort (1635),
tafelhouder te Sneek, Deventer (1640-1660), Arnhem Oeverstraat (1657-1672),[49]
vluchtte in 1672 voor de invallende Franse troepen met met zijn vrouw en zoon Gisbert eerst naar Sneek, en van daar naar Amsterdam,[50]
otr./tr. 1o Sneek geref. 4/23-4-1635
Elisabeth Kriex (Criecks), ged. geref. Sneek 13-2-1610, ovl./beg. Sneek Martinik. 13/22-10-1650, dr. van Gijsbrecht Kriex, tafelhouder te Sneek (1606-1629)
en Bolsward (1612-1629), en Alexandrina de Balbian,[51]
otr./tr. 2o Nijmegen 21-9/7-10-1651 [52]
Beatrix Dermel (Darmel), ovl. na 1672, dr. van Philibert Dermel, tafelhouder te Nijmegen, en
Jaepken Goertsdr van Epe (Elst).
3d. Jacobus Pauloszn de Ferreris, geb. Grave 25-3-1611, ovl. na 1675, kassier van de Tafel te Arnhem (1639), tafelhouder te Deventer
in compagnie met zijn vader en broeder Bernard (1640-1646),
woont te Amersfoort (1653, 1658),
tafelhouder te Amersfoort in cie. met zijn vader
(1653-1663), daarna aldaar alleen tot 1675, failleert dan,
belender in de Muurhuizen (1663, 1667),
woont te Enkhuizen (1673),
heeft een obligatie van ƒ 950,-- verstrekt (1675),
otr./tr. 1o Utrecht/Arnhem 20-1/6-2-1639[77]
Elisabeth Jansdr van Voorst, geb. Arnhem, beg. Arnhem (beluid) 20-7-1652, dr. van Jan van Voorst, tafelhouder te Arnhem (1609-1638) en
Deventer (1639-1640), en Hilleken Tulleken,
otr./tr. 2o Amersfoort/Eemnes 12-8/3-9-1653 (als Jacob de Ferreris, geboden gaan tot Arnhem, get. schepen Schaack en Maria Schaack),[78]
Hildegonda (Hillegont) Maszon (Masson), ged. Amersfoort 4-4-1629, ovl./beg. Workum 10/14-11-1679, als j.d. wonend op de Camp geref. lidmaat te Amersfoort 4-7-1646 op belijdenis,
j.d. wonend te Amersfoort (1653),
dr. van Bartholomeus Masson, courachier, ritmeester onder het regiment van den Hertog van Saxen, ritmeester ten dienste van Zijne Koninklijke Majesteit van Denemarken, Capiteyn, en Maria van der Eem.
Op 3-9-1654 (ouden stijl) verklaren
Bernard De Farreris en Jacob(us) De Farreris, gebroeders, (ook als executeuren van de uiterste wille van hun moeder Catharina van Schaack) volmacht te hebben gegeven aan Nicolaes van Merkerk (procureur voor het Gerecht van de stad Utrecht), met macht van substitutie.
Akte te Amersfoort, ten woonplaatse van de Bancque van Leninghe.
Get.: Henrick van Schaack (tekent als: H.V. Schaeck. Med. Doctor en indertijd schepen van Amersfoort) en J(oh)an van Loon (knecht in de Bancque van Leninghe).
[53]
Bernhardus Ferraris, banckhouder binnen Arnhem, verzoekt met zijn vrouw tot het Avondmaal te worden toegelaten. Een bezwaar daartgen wordt door de buitengewone Tielsche classisvergadering
van 18-8-1657 besproken en verworpen omdat "de ew. classis, den inhout en reden van dit gravamen overwogen hebbende en voor vast stellende alle hetgene daerin aengaende den persoon van den banckhouder Bernhardus Ferraris, so weegen den gemaetichden intrest, die hi soude genieten, als oock (van) sijn stichtelick leven (getuigd wordt),
soude geen swaericheyt maken om sijn persoon en dessen huisvrouw
mitsgaders sijne domesticken die gesont in gelove en stichtelick
van wandel bevonden worden, aen de taeffel des Heeren te
admitteren".
[54]
De exploitatie van de Bank van Lening te Deventer was ca. 1670 in een impasse geraakt.
Bernard Pauloszn de Ferreris had bij raadsresolutie van 10-2-1654 verlenging
van zijn octroy voor de tijd van 16 jaar verkregen, op condities als vastgesteld
bij het aan Gabriël de Olario, na de dood van diens voorgangers
Johan Dermel
en compagnon Andries Bussonet op 8-8-1611 voor 12 jaar verleende octroy.
De interest bedroeg 20 pond? p/jaar, terwijl een pensioen van 100 cgls. jaarlijks
aan het St. Elisabethsgasthuis verschuldigd was.
Wegens pest was de Bank van Lening in 1666 geruime tijd gesloten. Bernard de Ferreris
exerceerde eveneens de Tafel te Arnhem, woonde aldaar in de Oeverstraat.
Het geeft de indruk, dat hij de zaken te Deventer voor het grootste deel aan
zijn "kassier en dienaeren" aldaar heeft overgelaten. De Franse bezetting in
1672 was en voor de Stad en voor de burgers ruineus, in verband met de vele
en hoge schattingen die werden opgelegd. Vermoedelijk werd na 1674 de
Tafel de eerste jaren door de Stad zelf geexploiteerd, met
Emanuel van Arssen
als kassier.[55] Zie voor hem
⇒ Kwartierstaat Lapikas
nr. 3898.
GA Utrecht: Archief nederlandse hervormde kerk:
Akte van schuldbekentenis van Bernard de Farreris te Arnhem, aan luitenant Gillis Manard, 1670, met aantekening betreffende de interest, 1671 en 1672.
[56]
Advertentie in de Oprechte Haerlemse Courant d.d. 18-4-1675:
[57]
De Curateuren van den Boedel van Bernhart de Ferreris en Beatrix Dermel, in haer leven echte Luyden, zijn van meyninge binnen Arnhem, op den 3 Mey deses Jaers 1675, Oude-stijl, des naermiddaghs omtrent twee uren, ten Huyse van Coenraet Munter, Wijn-koper, in 't openbaer aen de Meestbiedende, by brandende Kaersse, te verkoopen elf Jaren Octroys van de Banck van Leeninge binnen de voorsz. Stadt, met de beleende Panden en het recht van dien. Die ondertusschen de Conditien begeert te weten, addresseere sigh aen Dr. Otto Engelen en aen d'andere Curatoren, binnen de voorsz. Stadt woonachtigh.
Uit zijn eerste huwelijk (de Ferreris-Kriex): (volgens Ref. [58] zijn er 6 jong gestorven kinderen)
1670: Brief van Jacobus de Ferreris
aan zijn vader, waarbij hij deze om financiële steun verzoekt. Uit de brief blijkt, dat zijn vader niet bijster met de schoondochter ingenomen was.
[63]
Uit dit huwelijk:[64]
Jacobus Bernardszn de Ferreris gaf zijn broeder
Mr. Gisbert de Ferreris dd. 15-7-1672 volmacht
tot het beredderen van de boedel van hun vader Bernard.
Met deze volmacht trachtte
hij - zij het met weinig succes - de nalatenschap van zijn
vader te regelen. Later vindt men hem herhaaldelijk terug te o.m.
Sneek bij het oplossen van juridische kwesties van zijn familie.
Volgens verklaring van zijn nichten ("oomzegsters")
Elisabeth de Barone en
Catharina Beatrix de Barone vertrok hij 1691/'92 naar Oost Indië, bij zijn overlijden te Batavia ca. 1701 liet hij een desolate boedel
na.
[68]
Op 6-7-1674 (O.S.) machtigt
Godert Camper, oudt scheepen van Naerden, wonend te Utrecht
Philips van Meeckeren, zijn zwager, wonend te Utrecht
om vorderingen te innen van de erven van
Paulo Emilio de Ferreres en van Jacobus de Ferreris,
respectievelyk ƒ 1000,- en rente vandien volgens obligatie d.d. 20-3-1661 en ƒ 600,- en rente vandien volgens obligatie van 25-9-1671.
Get. Wouter van Toll en Jan Cornelis.
[69]
Op 5-4-1692 (O.S.) verklaart
Ghysbert Ferreris, coopman van de VOC op het compagnieschip gemeente Nijlandt om van de camer Enkhuijsen te varen naer Ceijlon.
Hij bekent schuldig te zijn aan
Agnes de Milan, zijn tante, wed. van Justus Kriecx,
ƒ 1600,- vanwege een lening tot sijn uijtrustinge. De rente bedraagt 4% per jaar.
Get. Jan Jacob van Swichem, kassier van de bank van lening te Utrecht, en Johannes .. de Jongh, burger binnen Utrecht.
[70]
De fluit Nieuwland werd in 1685 gebouwd op de werf te Zeeland voor de Kamer Middelburg van de VOC.[71] Het schip maakte twee reizen naar Batavia en een naar Ceylon, alvorens op
25-5-1692 vanuit Texel te vertrekken via Kaap de Goede Hoop (aankomst 20-10-1692 en vertrek 8-12-1692) naar Ceylon alwaar aankomst 16-3-1693. Gijsbert de Ferreris en zijn neef Pieter Huygh zijn kennelijk met deze tocht meegegaan.
Kennelijk vaart het schip door naar Batavia, vanwaar het op 7-2-1694 weer naar Nederland vertrekt, zoals mede gerapporteerd in de Daghregisters van het Casteel Batavia.[72]
Gijsbert de Ferreris blijft daar minstens tot 1703 en overlijdt (aldaar?) voor 1706.
Onzeker is vooralsnog of Pieter Huygh op Ceylon blijft.
VOC Archief 1703:[73]
* Twee resolutien genomen in politiquen rade tot Colombo den 16 en 22 Januarij 1703, nopende de presentie van den independent fiscaal mr. Gijsbert Fereris op seker Moors scheepje genaemt Salamet Sourat (den 29 Maart 1703 per het jagt Ter Eem).
[74]
* Extract uijt de resolutie genomen in rade tot Colombo de dato 19 Februarij 1703 concerneerende het Moors scheepje Salamet Sourat, ende sustenue van den fiscael Fereris tegens het vervoeren van eliphantstanden (den 18 Junij 1703 per 't fluijtje de Eem).
[75]
Op 6-3-1706 compareert
Jeremias Thiens, eerste clercq ter staten, mede namens zijn broeder Johan Thiens, en zijn zuster Catharina Thiens, wed. van Robartus Padbrugge, in leven raed in de vroedschap tot Amersfoort,
tesamen de erven van Samuel Thiens, in leven burgemr. van Amsersfoort. Hij machtigt Theunis Semeins, camerbewaerder van de VOC tot Enckhuysen,
om ƒ 4600,-- te vorderen uit de nalatenschap van Gysbertus de Ferreris, in leven fiscaal independent met het schip Nieuland in de jaere ... (niet ingevuld) naer Indien gevaren. Hieruit is ƒ 800,-- capitaal en ƒ 300,-- met intrest van dien volgens twee distincte obligatien daer van sijnde ten laste van Paulo Aemilio de Ferreris, welke respectieve sommen Bernard de Farreris, vader van desen Gijsbartus de Ferreris, als sijn eigen schuld heeft aangenomen volgens actie d.d. 9-1-1669. Get. Ulrich Horustinaer en Lambert van Rhoon.
[76]
Op 3-9-1654 (ouden stijl) verklaren
Bernard De Farreris en Jacob(us) De Farreris, gebroeders, (ook als executeuren van de uiterste wille van hun moeder Catharina van Schaack) volmacht te hebben gegeven aan Nicolaes van Merkerk (procureur voor het Gerecht van de stad Utrecht), met macht van substitutie.
Akte te Amersfoort, ten woonplaatse van de Bancque van Leninghe.
Get.: Henrick van Schaack (tekent als: H.V. Schaeck. Med. Doctor en indertijd schepen van Amersfoort) en J(oh)an van Loon (knecht in de Bancque van Leninghe).
[79]
Op 16-6-1657 neemt
de gemachtigde van Dirck Croock en Juffrouwe Anna Sickama zijn vrouw, een lening op
van Jacobus Farreris en Hillegunda Masson, zijn vrouw en hun erven voor ontvangen van Mr. Jacob van Lijsevoord als momber van voornoemde Hillegunda en Agnis Masson, haar zuster,
De losrente is 32 gulden, 10 stuivers per jaar. Hoofdsom 650 gulden.
Tot onderpand dient huis, hof en hofstede in de Muurhuizen,
belend door Coenraet Temmingh en Catharina Loeijmans.
In margine:
Op 17-7-1658 verklaart Paulo Emilis de Farreris, als vader van Jacob de Farreris, dat de schuldsom van Eva van Bloecklant als eigenaar van de hypotheek door zijn zoon ontvangen is.
[80]
Op 28-5-1658 (ouden stijl) testeren
Jacobus De Farreris "sijeck van lichame sijnde" en zijn echtgenote Hillegunda Masson, borgers en inwoonders van Amersfoort.
Er zijn open besegelde brieven van Octroij (Hove van Utrecht) d.d. 9-6-1654.
Zij beiden herroepen het door hen gemaakte codicil voor Notaris Dirck Matheus. d.d. 18-6-1654.
Zij disponeren nu als volgt:
Over en weer bemaken zij elkaar de lijftocht van al hun na te laten goederen, met een volkomen bewind en administratie, zonder aan iemand staat of inventaris van de boedel te leveren, tot het hertrouwen toe van de langstlevende.
Zij secluderen de Heeren Weesmeesteren uit hun boedel, of die van de Weeskamer van Amersfoort of elders, waar hun sterfhuys zou mogen komen te vallen.
Akte ten huyse van de comparanten.
Getuigen: Mr. Gijsbert van Dompzelaer (schepen), Ds. Arnoldus Crinius (bedienaar des Goddelijken Woords te Amersfoort) en Petrus Schut (conrector van de Latijnsche Schole).
[81]
Op 2-7-1673 (O.S.) verlenen Annetgen en Marrijtgen Barten, gesusters ende bejaerde dochters, wonend te Amersfoort, volmachtaan Elisabeth Hermans, huysvrouw van Cornelis van Moorselaer, haerlieder nichte om uit hun resp. naam en tot haer nodigh onderhout te innen ende te eyschen van Jacobus de Ferreris, voor zichzelf en als mede-erfgenaam van Poulo Emilio de Ferreris, drie kapitalen van 300 gulden elk resp. als zij aan De Ferreris en zijn vader op renten hebben gedaan volgens obligaties (dd. 29-2-1659, 3-6-1659 en 5-5-1664) met alle verschenen en onbetaalde renten te ontvangen.
Akte gepasseerd ten huyse van Herman Barts, mandemaker.
Getuigen: Jan Willems ende Claes Roeloffsz, borgers van Amersfoort.
[82]
Op 17-9-1673 (O.S.) machtigen
Johannis van Tinnenbergh, en
Joannes van Bemmel, borgers van Amersfoort,
en mede-testamentaire mombers van de onmundige kinderen van Willem Willems Mack saliger en Henrickje Jans Blanckebijl,
Salomon Steijnforts, gehuwd met genoemde Henrickje Jans (haar 2e huwelijk), om drie kapitalen (groot 1350 gulden) op te eisen die Jacobus de Farreris (Ferreris), nu residerende te Enckuysen, tafelhouder, van Willem Willems Mack, opgenomen heeft als obligatien.
Getuigen: Thomas Thomas en Anthoni van Wittenburgh.
[83]
Op 6-7-1674 machtigt
Godert Camper, oudt scheepen van Naerden, wonend te Utrecht
Philips van Meeckeren, zijn zwager, wonend te Utrecht
om vorderingen te innen van de erven van
Paulo Emilio de Ferreres en van Jacobus de Ferreris
respectievelyk ƒ 1000,- en ƒ 600,-
[84]
Op 19-8-1675 transporteert Jannitgen Aelten, weduwe en boedelharste van Jan Borssier o.a. een obligatie ter waarde van de helft van 1900 gulden, in meerdere kapitalen, ten laste van Jacobus de Ferreris.
[85]
Op 8-6-1678 verkopen Cornelis van Bael en Anthony van Brinkesteyn als gecommitteerden van de gemeene crediteuren van den boedel van Jacobus de Farreris en zijn vrouw Hillegonda de Masson aan Aelt Huybert van Loenen
zodanig recht van coop als de gemeene crediteuren hebben op de huysinge, hof en hofstede, bestaende in twee woningen bij den voorzegde Farreris gecocht van Annitgen Andries, weduwe van Gerrit Martensz, volgens coopcedulle van 8 november 1662.
Zij bekennen van de voorzegde cessie met 900 gulden ingevolg van de coopcondities van dato 9 november 1677, voldaan te zijn.
[86]
Uit dit huwelijk (volgens Ref. [87] 9 kinderen):
Op 5-9-1721 vindt de boedelscheiding plaats van
Jacobus Ferreus, overleden (geen datum vermeld). Hij is 10 jaar geleden voor de Camer van Amsterdam naar Oostindie gevaren en op de terugweg overleden.
Erfgenamen zijn Beatris Ferrus tot Hoevelaken, ongehuwd, en haar zuster Bartholomea Ferreus tot Hoevelaken, ongehuwd.
[89]
| Sickman-Rappardus-Ferreris |
Ds. Hillebrand(us) Sickman(s) (Sicman, Sicma), geb. Groningen "bij de Craen", ged. geref. Groningen A-kerk 5-8-1656, ovl. Assen 29-1-1695, ingeschreven als student filosofie aan de Universiteit van Groningen 14-9-1675 ("Hilbrandus Sicman, Groninganus"),[90]
geref. predikant te Finsterwolde (aug. 1682-1684),[91]
komt op 1-2-1685 als predikant van Finsterwolde naar Assen,
geref. predikant te Assen (1685-1695),[92]
zn. van Ds. Casparus Sikman, geref. predikant te Tolbert en Westerdijkshorn,[93] en Maria Hillebrants Boelens,
tr. 1o Groningen geref. 24-6-1682 (get. haar broeder Monsr. Johannes Adolphus Rappardus, de geboden gaan mede tot Finsterwolde, attestatie daarheen)
Marg(a)ret(h)a Rappardus, geb. Orsoy (D) 16-9-1654[94], ovl. vóór 1693, die bij haar geboorte onmiddellijk wees werd aangezien haar vader een week voor haar stierf, en haar moeder daags na haar in het kraambed,
dr. van Ds. Johannes Rappardus, predikant te Orsoy, en Margaretha Emmius,
otr. 2o Sneek gerecht 12-8-1693,
otr./tr. 2o Sneek geref. 23/12-8-1693
Maria Ferreris (Ferrerus), ged. geref. Amersfoort 16-6-1657, ovl. 1696-1729, afkomstig van Sneek (1693),
dr. van Jacobus Pauloszn de Ferreris en Hildegonda (Hillegont) Maszon (Masson) (zie nr. 3d).
Haardstedegeld Rolde: Assen:[95] Etstoel Drenthe:[96]
|
3e. Dr. Jacobus Ferrerus, geb. Delft 1588/89, ingeschreven als student in de 'artes liberales' aan de Universiteit van Leiden 15-12-1605 ("Jacobus Ferrerus, Delphensis, 16(jaar)"),[119]
afkomstig van Leiden, wonend in Leyden (1626),
doktor in de medicijnen (1626, 1630),
otr. Leiden geref. 5-10-1626 (get. Dirck Lucasz van Walbeecq, veertigraad van Leiden, en Clara Bontius, haar zuster )
Alita Bontius, afkomstig van Leiden (1626).
Stadsarchief van Leiden:
[120]
Contract tussen Jacob Susio en Jacob Ferreris(¥) en de stad omtrent het houden van een bank van lening, 1614.
COMMENTAAR(¥)
Het is onzeker of deze Jacob Ferreris bovenstaande nr. 3e is.
Stadsarchief van Leiden:
[121]
Contract tussen de stad en Jacob Ferreris en Jan François Susio namens zijn zoon Jacob Susio, betreffende het houden van een bank van lening, 1617.
COMMENTAAR(¥)
Het is onzeker of deze Jacob Ferreris bovenstaande nr. 3e is.
Uit dit huwelijk:
Referenties van de gegevens van generatie 3 staan ook hier
| Referenties Fragment Genealogie Ferreris --- Generatie 3 ( 122 refs.) Referenties voorafgegaan door het ⇒ symbool verwijzen naar (aanklikbare) externe url's waarvan alleen het laatste deel van de naam wordt vermeld. |
||
|
|
|
Back to the genealogy page |
contents |
Go to the index |
generation 4 |
generation 2 |
Directly go to generation : 1 2 3 |