|
This page was last updated : 110730.
|
File size is: 136 k.
|
Fragment Genealogie Cabeljau Generatie 3 |
|
Refer to these data as:
L. Lapikás, Fragment Genealogie Cabeljau, version 1.1, Muiden, 2009.
|
|
© Copyright 2011
: L. Lapikás, Muiden, The Netherlands.
No part of this publication may be reproduced, stored in a retrieval system,
or transmitted, in any form or by any means, electronic, mechanical,
photocopying, recording or otherwise without the prior written
permission of the publisher. An exemption is made
for genealogical publications provided that adequate reference is
being made.
|
3a. Jonas Cabeljau (Cabbelion, Cabelliauw), geb. 1577, beg. Rotterdam Spuivaart 6-11-1632, j.g. van Metston (=Maidstone) in Engelandt, wonend te Leiden (1599),
doopget. te Amsterdam (1604) dan wonend te Rotterdam,
komt in veel akten te Rotterdam[1] voor als
lakengrossier (1608), coopman (1606..1632), coopman van meede (1615), laeckencooper (1519), reder (1619),
sluit een compagnieschap met Abraham van de Poel voor de fabricage van grauwe pampieren (1630),
belender aan de Nyeupoort (1616, 1623), woont op de Delfsevaert (1621),
op de Spoeyevaart (1623, 1630),
doopget. te Rotterdam (1618),
voogd over Lysbet en Guido Blauvoet, kinderen van Maerten Blauvoet en Magdalena Malebranck (1620),
huw. get. te Amsterdam (1629),
doopget. te Leiden (1628),
otr./tr. Rotterdam geref. 11-7/17-8-1599 (met attestatie van Leijden),[2]
Susanna van Quickelbergh(e)(¥), geb. 1578/79, ovl. na 1649, volgens Ref[3] ov. Rotterdam 26-3-1645, j.d. van Francfort, wonende in de Hoefsteech (1599),
poorteres van Rotterdam,
woont te Rotterdam (1636),
vermeld in akten (1633..1649) na de dood van haar man,[4]
wiens activiteiten zij als coopvrouw (1636, 1637) kennelijk voortzet,
eigenaar van een papiermolen in Velp,
eigenaar van de hofstede "Vossenburch" te Ouden Bosch,
eigenaar van een tuin, erf en speelhuisje met beplanting, gelegen aan de Cingel buiten de Goutsepoort,
woont in de Hoochstraet (1637..1645), te Rotterdam (1646),
dr. van Steven Stevens van Quickelberg (de jonge), zijdewever, en Jkvr. Aldegonde Maelbrancke, te Brugge.
| COMMENTAAR(¥)
Susanna van Quickelbergh(e) behoorde tot een familie uit
Oudenaerde. Zij is een dochter van
van Jkvr. Aldegonde Maelbrancke filia Georg, ovl. tussen
30 sept. 1601 en 16 mei 1606, tr. Nürnberg (St. Sebald) 11-2-1568
Steven Stevens van Quickelberg de jonge, geb.
te Oudenaerde 1541, verbannen door Alva (hij had als wachtcommandant
de beeldenstormers de Baarpoort ingelaten),
zijdewever, burger van Neurenberg 4-4-1569, een roerig
Calvinist, voerde in 1575 te Neurenberg het zijdeverven in
tezamen met zijn schoonvader, zijdehandelaar, in 1593 naar
elders vertrokken, ovl. Rotterdam in de Hoogstraat "in Noerenberch"
aug. 1599. Steven kon zich met de Lutherse doop
in Neurenberg niet verenigen en liet naar bekend een der
kinderen in Freystadt dopen, mogelijk dus Susanna - in Frankfort
bij een bezoek aan de Messe.[5]
|
Op 21-8-1610 machtigt
Jonas Cabelau, coopman alhier, zijn cousijn Jacob Cabellau om zijn zaken waar te nemen.
[6]
Op 18-2-1614 machtigt
Jonas Cabelleau,
Margrite Cabelleau, weduwe
in de Rooden Hoet
Buttolphlane (?) in Londen.
Het betreft een opdracht tot verkoop van een huis in Londen.
[7]
Op 25-8-1615 machtigt
Jonas Cabbeljau
zijn vrouw
Susanna van Quikelbergen
en
Francois Lodewijcksz,
blauverver,
om tijdens zijn afwezigheid op zijn reis naar
Engeland al zijn zaken te behartigen
[8]
Op 26-3-1615 machtigen
Jonas Cabellau, coopman,
Daniel de La Rue, coopman, en
Hans de Mere, coopman,
allen gehuwd met een dochter van
Steven van Ginckebergh (sic!),
en zijn vrouw
Aldegonde Maelbrancke, jonkvrouw,
Victor de Meestere,
Pieter Schelhavre,
Joost de Walle,
Jacob Coussaert
te Brugge,
om een vordering te innen te Brugge.
[9]
Op 13-11-1616 transporteert
Pieter Verhoeven, coopman te Dordrecht,
aan
Jonas Cabbeliau
alle vorderingen over die hij heeft op
Johan Cabbeliau de Jonge te Niemegen,
Jan van der Bregge te Londen,
Abraham van de Koutere te Londen,
Johan Wuls te Londen.
[10]
Op 27-10-1618 machtigt
Jonas Cabbeliau, coopman,
Abraham Cabbeliau, zijn broer,
Johan Sas, verwer te Gouda,
en Reynier Schaep,
tot waarneming van zaken inzake financiele
afhandeling.
[11]
Op 16-4-1619 tekenen Jonas Cabbeliau, mede voor zijn ondergeschikten, te weten zijn neef Jan Luijtens, Marinus Huybrechts en Adriaen Huybrechts, zijn broer, allen de rato caverende, Pieter Denijs en zijne ondergeschikten, te weten Pieter van der Voorde, Abraham Willemsz van Beyerlandt, Jan van Haringhoeck voor Daniel Willemsen van Harinhoeck (zie
⇒ Fragment Genealogie Harinckhouck nr. 1a
), en Pieter Jacobsz, een contract om een vennootschap op te richten (om civet? exploiteren). Het totaal bedrag bijgedragen door de ondertekenaars was ƒ 21.000,--.
[12]
Schepenbrief van Rotterdam: 19-5-1620: Leonard Beerewout en
Jonas Cabeljauw, voochden over de kinderen van
Jan Huyberts Beerwout en Neeltje van Meerbeque
[13]
Op 23-9-1623 maken
Jonas Cabbeljau coopman op de Spoeyevaert en zijn vrouw
Suzanna van Quickelbergen een besloten testament, en passeren zij een akte betreffende uitsluiting van boedelbeheer
[14]
Op 25-6-1632 testeren
Jonas Cabeljau en zijn vrouw Susanna van Quickelberch, en benoemen elkaar tot erfgenaam en herroepen de eerder gemaakte testamenten.
Hun kinderen Samuel, Abraham, Jonas, Nataniel, Daniel, Hester en Susanna ontvangen ieder een legaat.
Bovendien zal voor Nataniel zijn studie theologie worden betaald totdat deze voltooid is.
Bij overlijden van Susanna van Quickelberch zal een legaat van 60 gld worden uitgekeerd aan haar nicht Anna Prins, aan Susanna, dochter van Neeltge Cornelisdr en aan haar dienstmaagd Janneke Meyndersdr.
[15]
Op 13-9-1632 machtigt
Jacob van der Brugge, coopman te Leyden, Jonas Cabeljau, coopman alhier, om namens hem van Jan Meesters 600 gld. te ontvangen die hij aan hem schuldig is.
[16]
Op 27-12-1633 verklaren
Susanna van Quickelberch, weduwe van Jonas Cabbeljauw, 54 jaar, moye van manszijde van Annetgen Prins, jongedochter, zuster van Henrick Prins, overleden in Oostindien, Abraham Cabbeljauw, 28 jaar, en Jonas Cabbeljauw, 16 jaar, neven van moederszijde van Annetgen Prins, op verzoek van deze laatste dat de overleden Henrick Prins haar volle broer was. Susanne verklaart dat zij voor Annetgen gezorgd heeft vanaf haar 6e jaar, en dat zij een dochter was van Anna Cabbeljauw, de zuster van Jonas Cabbeljauw.
[17]
Op 3-8-1635 testeert
Susanna van Quickelberch, weduwe van Jonas Cabeliaeuw, poorteres, en benoemt tot erfgenaam haar zoon Daniel Cabbeliaeus voor de legitieme portie, en zijn de wettige kinderen in zijn overig gedeelte. Voogden en administrateurs over dit erfdeel zullen zijn haar oudste zoon Samuel Cabeliaeus en Johannes Oosterwijck. Universele erfgenamen zijn haar kinderen Samuel, Abraham, Hester, Susanna, Jonas en Nataniël Cabelliaeuws en hun nakomelingen. Voogden over de minderjarigen onder hen zullen zijn dezelfde als bovengenoemde. De Weeskamer wordt gesecludeerd.
[18]
Op 17-7-1636 testeert
Susanna van Quickelberch, weduwe van Jonas Cabeliaeuw, andermaal. Zij bevestigt haar testament bij deze notaris van 3-8-1635, waaraan zij wil toevoegen, dat haar zoon Abraham Cabeliaeus zijn toekomstige erfdeel onaangetast moet laten voor zijn kinderen. Heeft hij 12 jaar lang geen kinderen gekregen, dan mag hij er zelf van profiteren. Van zijn legitieme portie moet hij eerst zijn schulden afbetalen.
[19]
Op 30-10-1636 machtigt
Zuzanna van Quickelberch, wed. van Jonas Cabeliaeu, coopvrouw, Jonas Cabelliaeuw junior, haar zoon te Leyden,
om gelden te innen van Anna Weyten, voorheen vrouw van Jan van der Beecq en nu van Joannes Horeus of Hoveus te Leyden, wegens levering van graeu papier en kantwerk.
[20]
Op 4-11-1636 gaat de notaris
op verzoek van Susanne van Quikelberch, weduwe van Jonas Cabeljaeu, koopvrouw, last hebbend van Peirce Brandon, koopman te Amsterdam in naam van Hugh Fen, koopman te Londen, naar Robbert Kilvert (tekent Kilfort), met een wisselbrief van Londen, 3 september 1636 van 200 pond op mr Michiel Hearing en Henry Head, geëndosseerd door Pearce Brendon als volgt: Gelieve te betalen aan mijn moeder (=schoonmoeder!) Susanna van Quickelberch, weduwe van Jonas Cabeljaeu.
[21]
Op 29-3-1637 machtigt
Susanna van Quickelberch, weduwe van Jonas Cabeliau, coopman, Willem Strijp, advocaet te Breda, om zijn in rechte waar te nemen voor het gerecht van Barlebosch geseyt den Oudenbosch.
[22]
Op 30-5-1637 machtigt
Susanna van Quickelberch, weduwe van Jonas Cabeljaeuw, coopvrouwe, Daniel Cabeljaeuw, haar zoon, coopman te Amsterdam,
om gelden te innen van Harman Moijter en Marycken Calffs, wonend te Dansick.
[23]
Op 14-7-1637 verkoopt
Susanna van Quickelberch, wed. van Jonas Cabeljaeu, aan
Abraham Claesz van Alphen
een huis in Zevenhuysen op de Zijde, belend door
Isaacq Thoen,
Claes Huyberts Verduyn, en
Leendert van Bodegraven.
[24]
Op 25-11-1637 testeert
Susanna van Quickelberch, weduwe van Jonas Cabeljaeu. Zij verklaart dat zij haar testament handhaaft, en voegt eraan toe dat haar zoon Jonas Cabeljaeu haar papiermolen, staande in Vellip in Gelderlant voor 3000 gld of voor 300 gld minder dan de andere bieders mag overnemen.
[25]
Op 19-6-1638 machtigt
Susanna van Quickelberch, wed. en erfgename van Jonas Cabeljaeu, haar zoon Jonas Cabeljaeu om aan Abraham Claesz van Alphen de eigendom te geven van een huis en erf gelegen binnen Sevenhuysen op de Sijde.
Het huis wordt
belend ten oosten: het huis van Isaacq Thoen en
ten westen: Claes Huybertsz Verduyn, strekkende van de Sijde tot achter aan het erf van Leendert van Bodegraven.
Aan genoemde Abraham Claesz wordt een custingbrief van 300 gld. overgedragen ten laste van een huis en erf gelegen in het dorp van Sevenhuysen, toebehoord hebbend aan Adriaen Claesz, cleermaker.
[26]
Op 22-4-1639 testeert
Susanna van Quickelberch, weduwe van Jonas Cabeljaeuw. Zij bevestigt haar testament van 3-8-1635, met de volgende wijzigingen. Haar zoon Abraham Cabeljaeus krijgt slechts de legitieme portie. Zijn kinderen erven en hij krijgt het vruchtgebruik.
[27]
Op 15-7-1639 heeft
Thomas van den Helm van Susanna van Quickelberch, weduwe van Jonas Cabelliau 18 gulden ontvangen betreffende de rekening van Jan Gerrits van Couwenberch.
Willem Aryens van Crimpen, wijncooper, stelt zich borg.
[28]
Op 20-8-1639 machtigt
Susanna van Quickelberch, weduwe van Jonas Cabelliau, Pearce Brendon, haar zwager (=schoonzoon !), om rekening te innen van de schippers en andere personen waarin hij in Engelant in porties scheeps deelneemt.
[29]
Op 23-1-1640 verkoopt
Susanna van Quickelberch, weduwe van Jonas Cabilliau, aan Jacob Jansz, varendeman, een huis en erf in de Nieuwe Rodesantstraet, belendende zuid: Hans NN, timmerman en noord: Hans Pietersz plus een huis en erf in het westvierendeel aan de noordzijde van de Hoffstraet, in een steegje, belendende zuid: Jacob Jansz, backer en noord de tuin van Pieter de Bloot, schilder en strekkende tot aan het huis hierboven genoemd. Koopsom 1400 gulden.
[30]
Op 24-2-1640 verhuurt
Jonas Cabbeljau (de Jonge), gemachtigd door zijn moeder, Susanna van Quickelberch, weduwe van Jonas Cabbeljau den Ouden, aan Barent Jans de Vries een deel van een huis op de Slickvaert, voor 1 + 2 jaar, het 1e jaar voor 72 gulden en de andere jaren voor 104 gulden per jaar.
[31]
Op 13-4-1640 testeert
Susanna van Quickelberch, weduwe van Jonas Cabellau, en benoemt haar kinderen tot haar erfgenamen met een bepaling t.a.v. haar zoon Daniel Cabellau.
[32]
Op 10-5-1640 verkoopt
Susanna van Quickelberch, weduwe van Jonas Cabbejau, geassisteerd door Abraham Cabbejau, haar zoon, aan Arien Aelberts, varentman, haar huis buiten de Oude Schiedamsepoort, ten oosten de van de Hoochstraet voor 1000 gulden.
Belendingen:ten noorden Pieter de Riemers erfgenamen en ten zuiden Claes Reijnss, strekkend tot de Jonge Dortman.
[33]
Op 19-12-1640 herroept
Susanna van Quickelberch, weduwe van Jonas Cabeliaeu, haer testament van 3-8-1635 en bepaalt dat haar zoon Daniel Cabeliaeus volgens het geldende recht van successie zal erven.
[34]
Op 1-3-1641 hebben
Susanna van Quickelberch, weduwe van Jonas Cabelliau, geassisteerd door Samuel Cabelliau, haar zoon, ter ene zijde, en Leendert Leenderts te Amsterdam, ter andere zijde, met elkaar de rekeningen vereffend. Waaronder de rekening ten laste van Anthonij Aerts en de rekening waar voor Henrick Leenderts, broer van Leendert Leenderts, borg stond, ten laste van Hans Harder te Amsterdam.
[35]
Op 27-3-1641 verkoopt
Abraham Michielsz van Coulegem aan Susanna van Quickelberch, weduwe van Jonas Cabelliau, een zestiende deel van vier netten scheeps in het schip "De Fortuyn" van schipper Geerloff Pouwelsz tegen 400 caroligulden.
[36]
Op 11-6-1641 testeert
Susanna van Quickelberch, weduwe van Jonas Cabelliau -in leven koopman- en prelegateert aan haar jongste zoon Nathaniel Cabelliau om uit haar boedel de reis en verblijfkosten te bekostigen om in Frankrijk een jaar te studeren en de taal te leren. Dit onverminderd de rechten die er al zijn.
[37]
Op 8-10-1641 bepaalt
Susanna van Quinckelberch, weduwe van Jonas Cabeljau, dat haar kinderen, als zij dat nodig vinden, de bepalingen uit haar laatste toevoeging aan haar testament, d.d. 22-4-1639, terzijde mogen stellen.
NB: Deze tekst is later als een soort bijlage aan de eerdere akte toegevoegd.
[38]
Op 26-7-1642 wordt vastgesteld dat
Leendert Leenderts te Amsterdam, op 1-3-1641, een accoord heeft gesloten met Susanna van Quickelberch, weduwe van Jonas Cabelliau, geassisteerd door Samuel Cabelliau, haar zoon, over de betaling van 200 gulden. Zij had dit geld tegoed van Anthonij Aerts.
[39]
Op 11-8-1643 testeert
Susanna van Quinckelberch, weduwe van Jonas Cabelliau. Zij bepaalt dat het gerechte deel van haar nalatenschap voor haar oudste zoon, als deze voor haar overleden zou zijn, als deel van zijn na te laten boedel dient te worden beschouwd en te worden verdeeld, en niet alleen naar diens kinderen zal gaan.
Haar oudste zoon is Ds. Samuel Cabelliau, dienaar des goddelijken woords te 's-Gravenhage.
[40]
Op 18-1-1645 verhuurt
Susanna van Quickelberch, weduwe van Jonas Cabelliau, haar huis en erf, met een gang naar de Kipstraet, aan de noordzijde van de Hoochstraet aan de westkant van de breuwerie van de Drie Aeckeren aan Willem Jansz (tekent Wm. Johnson), Engels coopman alhier.
De huur is voor 2 jaar of langer, tenzij het huis verkocht wordt.
De huur bedraagt 485 gulden per jaar.
[41]
Op 25-1-1645 verkoopt
Susanna van Quickelberch, weduwe en erfgenaam van Jonas Cabelliau, bijgestaan door de notaris als haar gekozen voogd,
haar hoffsteede, genaamd Vossenburch, met ca. 20 gemeten zay- en weijlant, die in 3 porties gelegen zijn onder de jurisdictie van Barle Bossche alias Ouden Bosch, met nog 2 gemeten boschlant in de Noorthouck, genaamd de Zegge, die volgens de grontbrieven waar de belendingen in staan gekomen zijn van Govert Pieters Gijssen, aan haar zoon Samuel Cabelliau, bedienaer des H. Evangely in Gravenhaege.
De jaarlijkse belasting is verschuldigd aan het Sinte Barents Clooster.
De koopprijs is gezamenlijk overeengekomen, de verkoopster zegt betaald te zijn.
[42]
Op 20-4-1645 verkoopt
Suzanna van Quickelberch, weduwe van Jonas Cabbelliau, een tuin, erf en speelhuisje met beplanting, gelegen aan de Cingel buiten de Goutsepoort, aan Henrick Fransz, backer.
De tuin wordt belend door de gangen van Abram Jacobsz, tuynder, aan de achterkant en Abram Jacobsz ten westen en strekt voor van de tuin van Isaack Crijnen achter tot in de halve sloot van het land van de overleden Eeuwout van Bijlwerff.
De koopsom bedraagt 800 gulden.
[43]
Op 15-12-1648 compareert
Susanna van Quickelberch, weduwe van Jonas Cabelliau. Zij sluit de weescamer van Rotterdam of elders uit van haar nalatenschap, en
benoemt haar cousijns Dominus Petrus Cabelliau(¥), bedienaer te Leijden, en Anthony van Opijnen tot voogd en executeur testamentair.
[44]
| COMMENTAAR(¥)
Zij noemt
Ds. Petrus Cabelliau haar cousijn, (kennelijk aangetrouwd). Dat moet begrepen worden als volgt Petrus' vader Guillames Cabbeljau is een neef van wijlen haar man Jonas Cabelliau.
|
Op 13-12-1649 verhuurt
de advocaat Nataniel Cabeljau, gemachtigd door zijn moeder Susanna van Quickelbergh, weduwe van Jonas Cabeljau, aan Pouwels Manory namens schilder Leuff de Jong een huis aan de noordzijde van de Hoochstraet waar 'Ryga' uithangt, belend door de Kipstraat.
[45]
Op 30-9-1649 verhuurt
Susanna Quickelberch, weduwe van Jonas Kabbeljauw, aan Nataniel Manjevil een huis en erf, staande en gelegen aan de oostzijde van de Delffschevaert, voor een periode van 4 jaar voor 500 gulden per jaar.
[46]
Uit dit huwelijk (volgorde volgens testament ouders)(¥):
| COMMENTAAR(¥)
Kennelijk jong ovl. kinderen van Jonas Cabbelau worden beg. Rotterdam
9-5-1609, 18-7-1609, 13-2-1610, 26-12-1615,
|
-
1. Ds. Samuel (Samevel) Cabbeljauw (Cabelian), geb. 1602/03, ovl. na 1645, volgt 4a
-
2. Abraham Cabeljau (Cabelians), geb. Rotterdam 1605 ("in het huis genaamd Norenburch"), ovl. na 1644, volgt 4b
-
3. Jonas Cabbeljauw (Jr.), geb. 1616/17, beg. Amsterdam Nieuwe Kh. 7-9-1644 (Jonas Cabelliau in de Nieuwestraat, ƒ 10,13,--), doopget. te Leiden (1628, 1630),
woont te Leiden (1636), te Amsterdam (1644).
Op 28-4-1638 wordt
op verzoek van Jonas Cabeljaeu in naam van Peers Brendon, coopman in Amsterdam, aangewezen door mr James Hofte of Hoste door de notaris een wisselbrief aangeboden aan mr Henry Webster, coopman in Rotterdam.
[47]
-
4. Mr. Nat(h)aniel Cabeljau, ged. geref. Rotterdam 22-5-1622 (get. Pauwels Jansse Rosyn Corff, NN Lameere, en NN, de huijsvrouwe van den Predicant Couelier), ovl. na 1651, krijgt bij testamentaire disposite van zijn moeder in 1641 een prelegaat om reis en verblijfkosten te bekostigen om in Frankrijk een jaar te studeren en de taal te leren (het is onzeker of hij daarvan ook gebruik gemaakt heeft),
ingeschreven als student theologie aan de Universiteit van Leiden 28-3-1642 ("Nathaniel Cabellau, Roterodamensis, 20 (jaar)") en op 9-4-1649 als student rechten ("Nathaniel Cabellau, Roterodamensis, 26 (jaar)"),[48]
advocaat (1649), te 's-Gravenhage (1651).
Op 13-12-1649 verhuurt
de advocaat Nataniel Cabeljau, gemachtigd door zijn moeder Susanna van Quickelbergh, weduwe van Jonas Cabeljau, aan Pouwels Manory namens schilder Leuff de Jong een huis aan de noordzijde van de Hoochstraet waar 'Ryga' uithangt, belend door de Kipstraat.
[49]
Op 14-12-1651 testeert
Meester Nathaniel Cabelliau, advocaet te 's Gravenhaege, en benoemt tot zijn erfgenamen, Abraham Cabelliau en Susanna Cabelliau, zijn broer en zuster, en de kinderen van Samuel Cabelliau en Esther Cabelliau, zijn broer en zuster zaliger. Hij legateert aan:
- Johanna Millert, 2000 gulden,
- Abraham Cabelliau, zijn broer, 500 gulden,
- Susanna Abrahams, zijn nicht, zijn tafeldiamanten ringen,
- Susanna Samuels, zijn nicht, diverse goederen.
Hij benoemt tot executeur, zijn zwager, Franchoijs Cabelliau en zijn neef Mattheus Millert.
[50]
-
5. Daniel Cabeljau, geb. 1604/05, ovl. na 1644, coopman (1631, 1633), te Leiden (1633), te Amsterdam (1637).
Op 23-4-1633 verklaart
Daniel Cabbeljauw, coopman, oud 28 jaar, op verzoek van Thomas Cabel of Cave en Eduwart Man, coopluyden te Amstelredam, dat hij, samen met zijn broer Abraham Cabbeljauw en Eduwart Man, begin april is geweest ten huize van Isaac Francq, cleervercooper, wonende in de Vergulde Manttel op de Hoochstraet, in verband met een diefstal van 14 witte damasten, door Eduwart Man verzonden van Amsterdam en bestemd voor Middelburch in Zeelant.
[51]
Op 6-7-1633 machtigt
Susanna van Quickelberch, weduwe van Jonas Cabeljau, coopman, haar zoon Daniel Cabeljau om namens haar alle zaken waar te nemen, met name in Engelant met Jan de Backer.
[52]
-
6. Hester Cabbeljau(s) (Cabeleau), geb. vóór ca. 1615, ovl. 1646-1649, doopget. te Rotterdam (1627),
jongedochter wonend te Rotterdam (1633),
huw. get. te Leiden, wonend te Amsterdam (1645),
otr. Amsterdam pui 24-11-1633 (met attestatie van Rotterdam),
otr./tr. Rotterdam geref. 27-11/13-12-1633 (hij als Brendon Persé !)
Pearce (Peers) Brendon (Brandon), geb. 1605/06, ovl. na 1649, jongeman, afkomtig van Pleijtmuijd (=Plymouth?),
woont op de Nieuwe Zijds Voorburgwal (1633), in de Nieuwstraat (1634-1649) te Amsterdam,
(engels) coopman in Amsterdam (1636..1649).
Hij hertr. Amsterdam kerk 14-8-1649 (hij heeft weeskamer bewijs gedaan 6-8-1649(¥)) Margareta Haeckx, waaruit nog een zoon John Brendon, ged. 10-7-1650.
Op 4-11-1636 gaat de notaris
op verzoek van Susanne van Quikelberch, weduwe van Jonas Cabeljaeu, koopvrouw, last hebbend van Peirce Brandon, koopman te Amsterdam in naam van Hugh Fen, koopman te Londen, naar Robbert Kilvert (tekent Kilfort), met een wisselbrief van Londen, 3 september 1636 van 200 pond op mr Michiel Hearing en Henry Head, geëndosseerd door Pearce Brendon als volgt: Gelieve te betalen aan mijn moeder (=schoonmoeder!) Susanna van Quickelberch, weduwe van Jonas Cabeljaeu.
[53]
Op 20-8-1639 machtigt
Susanna van Quickelberch, weduwe van Jonas Cabelliau, Pearce Brendon, haar zwager (=schoonzoon !), om rekening te innen van de schippers en andere personen waarin hij in Engelant in porties scheeps deelneemt.
[54]
Op 28-1-1640 machtigen
Henri Cubit, Engels coopman, en Percy Brendon, Engels coopman te Amsterdam, Micchel Heering, coopman te Londen in Engelant,
om van Robbert Schot, schipper te Jarmuyden in Engelant, wettelijke verklaring te eisen dat zij voor 7/8e deel eigenaar zijn in een schip, groot 100 lasten, op stapel staande op de werf van Edmond Edger, scheeptimmerman te Jermuyden.
[55]
Vermeldingen in ONA Leiden (tekst nog opzoeken):
1653: de kinderen van Hester Cabelliau [56]
Uit dit huwelijk (o.a.?):
-
a. NN Brandon, beg. Amsterdam Nieuwe Kh. 27-12-1634 (kind van Parsse Brandon in de Nieuwstraat ƒ 4,--).
-
b. Jonas Brendon, ged. Amsterdam Engels Presbyteraans 17-8-1636, beg. Amsterdam Nieuwe Kh. 29-8-1636 (kind van Persen Brendon in de Nieuwstraat ƒ 4,--).
-
c. NN Brandon, beg. Amsterdam Nieuwe Kh. 31-1-1639 (kind van Parsse Brandon in de Nieuwstraat ƒ 4,--).
-
d. NN Brandon, beg. Amsterdam Nieuwe Kh. 23-5-1641 (kind van Perse Brendon in de Nieuwstraat ƒ 5,6½).
-
e. Susanna Brendon, ged. Amsterdam Engels Presbyt. kerk 19-10-1642, afkomstig van Amsterdam, wonend op de Hogewoert (1669),
otr./tr. Leiden/Alffen geref. 8-4/1-5-1669 (get. voor haar Susanna van Aeckeren (=Susanna Cabeljau), haar nicht wonend op de Hogewoert, voor hem Johannis Davidt, zijn neef wonend op de Hogewoert)
Jacob van Ees(ch), afkomstig van Leiden, bode met de roede, wonend op de Langebrugge (1669).
Hieruit verder nageslacht bekend.
-
f. Jonas Brendon, ged. Amsterdam Engels Presbyt. kerk 9-5-1646.
-
7. Susanna Cabbeljau, geb. vóór ca. 1605, ovl. na 1668 (na 1671), afkomstig van Rotterdam,
doopget. te Rotterdam (1624, 1630),
te Leiden (1671),
j.d. te Rotterdam (1637)
wonend in de Bredestraet (1645), op de Hoogewoert (1659, 1665) te Leiden,
doopget. te Leiden (1642..1668), huw. get. (1659, 1665),
otr. Leiden geref. 21-12-1645 (get. voor haar Hester Cabbeljau, haar zuster wonend te Amsterdam, voor hem Petrus Cabbeljau, zijn broeder wonend op de Langebrugge)
Franchoys (Frans) Cabeljau, geb. vóór ca. 1610, afkomstig van Leyden, lakenbereider wonend op de Rijn (1634),
verver wonend op de Hoogewoert (1645, 1660),
doopget. (1643, 1659), huw. get. (1660),
wednr. van Annetgen van Middelems (Middelen),
zn. van Guillames Cabbeljau, drapier, en Abygel Bollys (zie nr. 3g hieronder).
Hieruit verder nageslacht bekend.
Vermeldingen in ONA Leiden (tekst nog opzoeken):
3-12-1631: Attestatie door Susannetgen Cabeljaus [57]
Op 13-1-1637 testeert te Rotterdam
Susanna Cabeljaeu, j.d., en benoemt tot erfgenaam haar moeder Susanna van Quickelberch, weduwe van Jonas Cabeljaeu.
[58]
3b. Jan Jansz Cabbeljau, geb. vóór ca. 1565, ovl. 1622-1625, koopman, vertrekt in 1588 naar Dordrecht, woont aldaar in het huis "Out Ceulen",[59]
eigenaar van papiermolens te Gelderland,
benoemt in 1622 zijn broer Jonas in zijn testament tot voogd over zijn eventuele minderjarige kinderen,[60]
otr. Leiden geref. 5-4-1586 (get. voor hem Jan Cabbeljau, zijn vader, voor haar Jorynken Switten, haar nicht, en Proentgen Hitten)
Tanneken (Anna) van Cemmele ((de) Kemel), ovl. 1626-1629, afkomstig van Nieukercken Vlaanderen (1586),
is doopget. te Ridderkerk als Tanneken, hv van Jan Cabeliau den zoon, woonachtich in Dordrecht (1594).
Jan Cabeljau pacht en bezit drie papiermolens, twee te Velp,[61] en een te Heelsum.
Bovenste Jeruzalemse molen aan de Rozendaalsebeek te Velp:
1603 Jan (Johan) Cabbeliau, erfpacht (1614 eigenaar).
(korenmolen wordt verbouwd tot papiermolen)
1605 Jhelis van (Z)Santvliet, papiermakersknecht.
1618 Frans van Aelst, pachter en papiermaker (1639 eigenaar).
Benedenste Jeruzalemse molen aan de Rozendaalsebeek te Velp:
1597 Gerrit Verstappen (van Stappen), verbouwt de oliemolen tot een papiermolen.
1603 Jan (Johan) Cabbeliau, erfpacht, (1614 eigenaar).
1603 Frans van Aelst, pachter en papiermaker (1639 eigenaar).
Op 4-6-1625 verkoopt
Tanneken van Kemel, weduwe van Jan Kabbeljauw, wonende te
Dordrecht, aan Dirck Otten,
molenaer en pampiermaecker, wonende te
Heylsom in de heerlijkheid Doolewaert in Gelderlant,
een pampiermolen te Heylsom,
voor 500 carolusgulden af te betalen in termijnen.
[62]
Op 17-10-1626 compareert Tanneken van de Kemel, weduwe van Johan Cabbeliau cum tutore en Honas (sic!) Cabelliau haar zwager wonende te Rotterdam. Zij verkopen aan Sebilla Verbeeck, weduwe van Hendrick Terwen, een huis omtrent de Munt(aan de Voorstraat) genaamd Out Ceulen, staande tussen het huis van Franchoijs Fransz Bredehoff en het huis van koopster, strekkende van voren van 's herenstraat tot achter aan de Doelen. Koopster verkoopt aan verkoopster 5 gl. jaarlijkse losrente, verzekerd op het voornoemde huis. In margine: rentebrief geroyeerd op 30 jan. 1627.
[63]
-
1. Francoys Cabeliaw, ged. Dordrecht okt. 1588 (vader: Jan Cabeliaw, geen moedersnaam genoemd), ovl. jong?
-
2. Johannes Cabelijaeuw(¥), ged. Dordrecht april 1590 (vader: Jan Cabelijaeuw, geen moedersnaam genoemd).
| COMMENTAAR(¥)
Een Jonge Jan Cabbelauw is doopget. te Delfshaven 1612. Is hij deze Johannes?
|
-
3. Susanna Cabeliauw, ged. Dordrecht sept. 1591 (vader: Jan Cabeliauw, geen moedersnaam genoemd), ovl. jong?
-
4. Tobias Cabeliauw, ged. Dordrecht juli 1593 (vader: Jan Cabeliauw (de Jonge), geen moedersnaam genoemd), ovl. jong?
-
5. Catharina (Catelijnge) Cabeliauw(s), ged. Dordrecht juli 1595 (vader: Jan Cabeliauw, geen moedersnaam genoemd), beg. verm. Amsterdam Zuiderkh. 27-4-1640 (Cattelijna Kabbeliau, cleijne steen ƒ 10,13,--), vermeld als erfgenaam in het testament van haar broer Samuel (1635),
doopget. (1620..1635),
tr. 1o voor 1620
Salomon (Samuel) Janse Gevers, beg. Rotterdam juni 1636[64], doopget. (1628), huw. get. (1632),
kaersmaecker (1628, 1632) in de "Drye Vreemdelingen" (1632) te Rotterdam,
zn. van Jan Henricxz Gevers, kaarsenmaker en vettewarier in het huis genaamd "Het Root Scharlaeken"[65] en Josyna Cornelisdr,
otr./tr. 2o Rotterdam geref. 25-1/10-2-1637
Jan Jansse Rijlandt (Bijlandt), geb. Hamburg, jongeman.
Op 17-11-1628 maken
Salomon Jansz Gevers, kaersmaecker in de "Drye Vreemdelingen", en zijn vrouw
Cathalina Cabbelliaus een mutueel testament.
[66]
Op 24 Mei 1630 koopt Salomon Janse Gevers een huis in de Hoogstraat en op 15-5-1632 een huis aan de Visschersdijk No. 2 genaamd "de 3 Vreemdelingen",
belend ten oosten door de Keizerstraat, voor ƒ 2850.--.
Dit huis werd 17 Juni 1639 verkocht door Jan Jansz Bylandt (Rijland?)
gehuwd met Catharina Cabbelian voor ƒ 3900.--.[67]
Pouwels Jansz Gevers en Jan de Vryes, caersmakers zijn geordineert voochden over de weeskinderen van Salomon Jansz Gevers, caersmaecker, daar moeder af
ia Cathalina Cabbeliau, onder den behoorlyoke eedt bij hen in handen
van weesmeesters gedaan. Actum bij Cornelis Jongeneel ende Johan van Berckel weesmeesters 23-1-1637.[68]
Uit haar eerste huwelijk:
-
a. Katelijntgen Gevers, ged. geref. Rotterdam 12-1-1620 (vader Samuel Jansse, get. Josijntgen Cornelis, Anneken Cabelious).
-
b. Jan Gevers, ged. geref. Rotterdam 10-6-1621 (vader Salomon Jansse, get. Tobias Kabeliou, Tanneken Kabeliou, Lijntgen Jans).
-
c. Joosijna Gevers, ged. geref. Rotterdam 2-12-1628 (get. Jan Janse, Corneles Sijmense, Anna de Vries, Josijna Cabeljaus).
-
6. Sara Cabeliaw, ged. Dordrecht mrt 1597 (vader: Jan Cabeliaw, geen moedersnaam genoemd), doopget. (1637).
-
7. Susanna Kabeliauw, ged. Dordrecht jan. 1599 (vader: Jan Kabeliauw, geen moedersnaam genoemd), doopget. (1621) (als Tanneke).
-
8. Tobias Cabeljauw, ged. Dordrecht april 1601 (vader: Jan Cabeljauw , geen moedersnaam genoemd), doopget. (1621).
-
9. Samuel Cabeljau (Cabelian), ged. Dordrecht feb. 1603 (vader: Jan Cabeljau, moeder: Tanneken Reijer(¥)), volgt 4c
| COMMENTAAR(¥)
De database vermeldt
Jan Cabeljau, otr. Dordrecht 20-10-1602
Tanneken Reijer. Dat moet een andere Jan zijn.
|
-
10. Francoijs Cabeljouw, ged. Dordrecht dec. 1605.
-
11. Lowijse (Loisa, Lo(w)isje) Cabeljouw (Cabbeljau), ged. Dordrecht mei 1607, beg. Amsterdam Zuiderkh. 6-10-1644 (ƒ 10,15,--), vermeld als erfgenaam in het testament van haar broer Samuel (1635),
jongedochter (1636), afkomstig van Dordrecht (1644),
woont bij de Pikeurstal? te Amsterdam (1644),
otr./tr. 1o Rotterdam geref. 13/27-4-1636
Zacharias (Sachtrius) Abramsz, ovl. 1637-1644(¥), verm. beg. Amsterdam St. Anthonieskh. 15-9-1641 (Sagerijas Abraemsen op vloenburch over de caestkade, nagelaten een kint, in de Lange Houtstraet), jongeman (1636),
otr. 2o Amsterdam kerk 24-3-1644 (get. Bartran Bunten?, sijn neve?)
Sem Francen Sam(p)son, geb. 1617/18, beg. Amsterdam Nieuw K. 14-7-1665, j.m. pruickemaecker van Hamburg, woont op de Heregracht (1644),
vettewaerier woont op de Brestraet (1645).
Hij hertr. Amsterdam kerk 24-3-1645 Trijntje Jans.
COMMENTAAR(¥)
In aanmerking komen:
Sacharias Abramsoon, beg. Amsterdam Zuiderkh. 24-11-1638 (verder geen gevens bij de beg. inschrijving)
Sagerijas Abraemsen, beg. Amsterdam St. Anthonieskh. 15-9-1641 (op vloenburch over de ?caestkade, nagelaten een kint, in de Lange Houtstraet).
ZOEK UIT
|
Op 7-12-1637
verkoopt Zacharias Abrahamsz aan Otto Jansz,
3/4 huis en erf, genaamd De Vijf Gerstebroden, in de Kalverstraat noordhoek Sint Luciënsteeg te Amsterdam.
[69]
Op 21-4-1646
verkoopt Esaias Minuict aan Sem Fransz Samson,
een huis en erf in de Schans bij de Regulierspoort te Amsterdam.
[70]
Op 16-9-1655
verkoopt Sem Fransz Samson aan Hendrick Grel,
een huis en erf in de Schans bij de Regulierspoort te Amsterdam.
[71]
Uit haar eerste huwelijk:
-
a. Johannes Zachariasse, ged. geref. Rotterdam 8-2-1637 (get. Sara Cabeliau).
-
12. Josijne Cabeliouw (Cableau), ged. Dordrecht aug 1608, ovl. 1677-1701, beg. Amsterdam Noorder Kerk en Kerkhof 14-11-1678 (Josina Cabeljau), vermeld als erfgenaam in het testament van haar broer Samuel (1635),
doopget. te Amsterdam? (1628), te Rotterdam (1677),
tr. vóór 1641 (huwelijk niet te Amsterdam gevonden)
Jasper Jansz Strijlant, geb. vóór ca. 1620, beg. Amsterdam Noorder K. 7-3-1676, poorter van Amsterdam als boekhouder uit Strijen 23-1-1641,
doopget. te Rotterdam (1674).
Op 3-9-1652
verkopen de erven van Nicolaas Agache, echtgenoot van Sara Faulconier aan Jasper Strijlandt,
huis en erf met plaats op het Verlanenpad (Greefsteeg) te Amsterdam.
[72]
Op 31-7-1656
verkopen de erven van Sijmon Jansz van Cleeff aan Jaspar Strijlant,
een huis en erf in de Nieuwstraat te Amsterdam.
[73]
Op 31-7-1656
verkoopt Jan Baptista Bentio aan Jaspar Strijlant,
een huis en erf in de Nieuwstraat te Amsterdam.
[74]
Op 19-2-1657
verkoopt Jasper Strijlant aan Jan Claesz,
een huis en erf in de Nieuwestraat (ZZ) (Nieuwe Nieuwstraat) te Amsterdam.
[75]
Op 19-2-1657
verkoopt Wijnand Hendricks aan Jasper Strijlant,
een huis en erf op de Egelantiersgracht (ZZ) te Amsterdam.
[76]
In 1662 heeft
Jasper Strijland procuratie van Salomon Cabeljaeuw, Grietje Cabeljaeuw, jonge dr. en Gerrit Gerritsen Westdijk als getrouwt hebbende Anna Cabeljaeuw, gep(as)seert te Rotterdam op 7-9-1662 voor den notaris Pieter van Someren aldaer residerende. Het betreft de nalatenschap van Jan Cabeljaeuw enige nagelaten zoon van Jaspers zwager Samuel Cabeljau (zie hierboven).
Op 8-4-1701
verkopen
Albertus van Vliet, bedienaer des goddelijken woorts tot Ransdorp, en Anna Strijlandt, echtelieden, laatsgenoemde dochter en enige erfgename van Jasper Strijlandt, aan Magteltje Swaan, wed. van Pieter van Enkhuijsen,
een huis en erf op de Egelantiersgracht (ZZ) voorbij de eerste dwarsstraat te Amsterdam,
belend OZ Hendrik van Duunen met een gemeene muur en loode goot, en WZ de wed. Aarnoudt Muyffardt meede met een gemeene muur doorgaand en voor een gemeene lode goot, strekkende voor van de straet tot achter aan de erve van de Nieuwe Lelydwarsstraet. Borgen zijn Salomon Soeten en Dirk Booner, beiden mede comparerend.
Koopprijs ƒ 2000,--.
[77]
-
a. Johannis Strijlant, ged. geref. Amsterdam Oude K. 24-1-1641, beg. Amsterdam Zuider Kh. 17-3-1641 (kind van Jaspaer Strielant).
-
b. Sara Strijlant, ged. geref. Amsterdam Nieuwe K. 1-1-1645.
-
c. Maritje Strijlant, ged. geref. Amsterdam Nieuwe K. 30-10-1650, beg. verm. Amsterdam Nieuwe Kh. 16-1-1652 (een kind van Jasper Stijlandt).
-
13. Sara Cabeljaus, geb. 1608/09, ovl. 1636-1651, afkomstig van Dordrecht,
woont te Dordrecht (1624)
woont in de St. Janstraet te Amsterdam (1636),
otr. 1o Amsterdam pui 6-4-1624 (met attestatie van Dordrecht)
Cornelis Sijmonss Beurs, beg. verm. Amsterdam Nieuwe Kerk 1-10-1636 (Cornelis Sijmonsz), woont op Nieuwe Sijts Voorburghwal te Amsterdam (1636),
otr. 2o Amsterdam kerk 29-8-1636 (in margine: weeskamer bewijs gedaan 27(29?)-8-1636)
Esaias Minui(c)t (de oude), beg. verm. Amsterdam Oude Kerk 17-6-1664 (Esaeijes Minuict), wednr. van Marritje Pieters,
kaarsemecker, afkomstig uit Franckfoort, woont op de Brestraet (1636),
poorter van Amsterdam als kaarsenmaker uit Franckvoort 22-1-1641.
Hij hertr. Amsterdam kerk 8-4-1651 Elisabeth Gerrits (Block), wed. van Jacob Colevelt.
Op 18-11-1634
verkoopt Pieter Dircxsz aan Esaias Minuict,
een huis en erf op de Schans bij de Nieuwe Regulierspoort te Amsterdam.
[78]
Op 24-10-1642 koopt
Esaias Minuict,
een huis en erf met 2 vrije uitgangen op de Oudezijds Voorburgwal (WZ) te Amsterdam.
[79]
Op 21-4-1646
verkoopt Esaias Minuict aan Sem Fransz Samson,
een huis en erf in de Schans bij de Regulierspoort te Amsterdam.
[80]
Op 22-2-1656
verkoopt Jan Jansz van Swol aan Esias Minuit,
een huis en erf in de Duifjessteeg te Amsterdam.
[81]
Op 6-2-1662
verkoopt Esaias de Minuit aan Isaac de Minuit,
een huis en erf, waar De Drie Vergulde Bogen uithangen, op de Fluwelenburgwal (Oudezijds Voorburgwal) te Amsterdam.
[82]
3c. Abra(ha)m Cab(b)el(i)au, geb. Gent ca. 1560, beg. Stockholm Riddarholmskerk 29-4-1645[83], poorter van Amsterdam 29-5-1591 als koopman uit Meston (=Maidstone) in Engeland,
koopman te Amsterdam (1591..1594),
was commissaris-generaal op de reis van de twee schepen de 'Zeeridder' en de 'Jonas', die op 5-12-1597 vanuit Den Briel vertrokken naar Guyana en Trinidad en eerst naar de Canarische eilanden zeilden, vanwaar de 'Zeeridder' alleen naar Amerika vertrok en daar in februari 1598 op 5\deg NB aanlandde,
onderzocht aldaar niet minder dan 24 rivieren van Guyana,
zette de tocht voort samen met twee andere Nederlandse schepen, onderzocht de Orinoco en de zijrivier Caroni, keerde daarna in 1599 naar het vaderland terug,
en brengt daarover een rapport uit aan de Statengeneraal, getiteld 'Verclaringe vande onbekende ende onbeseijlde voiage van America, beginnende van de rivier Amasonis tot het eylant van Trinidad toe',[84]
verkreeg in Amsterdam een aanzienlijk vermogen,
adviseerde Carl IX koning van Zweden over de aanleg van de stad Göteborg op het eiland Hisingen, en kon zelf, als gevolg van een vrijbrief voor Nederlanders en andere buitenlanders, in 1607(¥) naar Zweden vertrekken,
werd daarna benoemd tot directeur-generaal van de munt in Göteborg,
en burgemeester van die stad, in welke functie hij grote verdiensten had bij het ontwerp van het huidige Göteborg, waarvan het ontwerp met regelmatige huizen-blokken in stadswijken en naar Nederlands patroon elkaar kruisende kanalen hoofdzakelijk het werk is van Cabeljau en de met hem verhuisde Nederlanders,
stond vervolgens in grote gunst bij Gustaf II Adolf koning van Zweden en was tijdens diens regering (1611-1632) directeur-generaal over de zo genoemde Persianska handelsonderneming en rederij in Stockholm en ten slotte directeur-generaal boekhouding van de rekenkamer in 1624,[85]
[86]
vermeld als "Reeckenmeester van Zijne Co: Majesteyt van Sweden" (Leiden, 24-1-1624),[87]
woont op de Oude Zijds Achterburgwal bij de Korendragerssteeg (1606),
bij "de brouwerij van de Roos" te Amsterdam (1606, 1611)
wordt gemachtigd door zijn broer Jonas (1618),
otr. Dordrecht 30-12-1590
Maeiken (Maria) van Leest (Lust), beg. Stockholm Riddarholmskerk 27-7-1650 (in het graf van haar man),[88]
| COMMENTAAR(¥)
Wanneer Abraham Cabeljau naar Zweden vertrekt is onduidelijk, de jaartallen 1605[89]
, 1607[90]
en 1609[91]
worden genoemd. Voorts worden er in de periode 1606-1610 nog drie kinderen van hem in Amsterdam gedoopt. Wellicht is hij meerdere malen tussen Amsterdam en Göteborg heen en weer gereisd.
|
In NNBW [92] staat een biografie van Abraham Cabeliau waarvan de personalia deels incorrect(¥) zijn. Het wel juiste stuk bevat de volgende gegevens:
Abraham CABELIAU was boekhouder te Amsterdam. Hij meende eene uitvinding gedaan te hebben, 'waerdoor men op alle streecken vant compas soowel de lengde Oost ende West sal kunnen vinden, als de breedte Suyt ende Noort'. Op zijn verzoek om octrooi besloten de Staten-Generaal 9 Nov. 1616, dat bij expres bevel de schippers en stuurlieden haar op zee zouden beproeven, waarop Cabeliau, blijkens resolutie van 16 Dec., verschillende toelichtingen inleverde. Op 1 Juni 1617 kreeg hij een belooning voor zijn gedrukte "Rekenkonst van de groote seevaert (Amst. 1617)". Op zijn verzoek om belooning voor zijne uitvinding te mogen ontvangen, is 13 en 29 Juni gehandeld, doch 6 Dec. 1617 werd dit verzoek afgeslagen, omdat zijn voorstel 'frivool' was en hij niet had kunnen 'gedebatteeren', terwijl hem 7 Dec. zijn boek werd teruggegeven. Wellicht stond hij in verbinding met Jan Hendriks Jarich van der Ley (zie Ref. [93]
), die 28 Oct. 1617 om een dergelijke vinding op dezelfde voorwaarden octrooi vroeg.[94]
Kennelijk was de admiraliteit te Amsterdam enthousiaster over zijn vinding want op 24 nov. 1617 noteert deze: "Aan A. CABBELJAUW vereerd, wegens zijne inventie van Oost en West, ƒ 50,--".[95]
| COMMENTAAR(¥)
NNBW ziet in hem een zoon van Susanna van Quickelbergh, en de echtgenoot van Petronella Pluympot.
Kennelijk wordt hier gedoeld op
Abraham Cabeljau geb. Rotterdam 1605 ("in het huis genaamd Norenburch"), zn. van Jonas Cabeljau en Susanna van Quickelbergh, tr. 1630 Petronella Pluympot (zie 4b). Het lijkt onwaarschijnlijk dat hij op elfjarige leeftijd een uitvinding laat octrooieren.
|
Op 23-7-1596 passeert te Rotterdam een akte van wisselprotest, betreffende een wisselbrief te Amsterdam, waarvan de 2e onbetaald, ten bedrage van 60 ponden staerlings, aan Willem Helmann, ontvangen van Anthony van Harinckhoeck, en ondertekend door Abraham Cabeliauw.
[96]
Blijkens acte voor notaris Jacob
Symonsz te Rotterdam dd. 3 nov. 1606 hadden op 16 mei
1606 de erven van Allegonde Mallebranche, weduwe van
Steven van Quickelbergen, aan Abraham Cabbeliau, coopman,
wonende te Amsterdam, ƒ 1800,-- in de O.I.C. overgedragen:
Abraham Cabbeliau machtigde te Amsterdam op 20 okt. zijn
broeder Jonas Cabbeliau, coopman te Rotterdam, ter zake.
[97]
[98]
ZOEK OP
Op 3-11-1606 machtigt Willem Jansz, laeckencooper, Jacques Wilckes, coopman, wonend te Amstelredam, om 1200 gulden over te dragen aan Abraham Cabbeliau, coopman te Amsterdam volgens 10-jarige rekening van de Oostindische Compagnie.
[99]
In 1606 kopen de kinderen van Abraham Kabeliau,
wonend op de Oude Zijds Achterburgwal bij de Korendragerssteeg, voor ƒ 1,16,-- zeven loten in de Loterij t.b.v. de bouw van een Oudemannenhuis te Haarlem. (Zouden er dan (nog?) zeven kinderen zijn?)
Uit dit huwelijk (o.a.?):(¥)
| COMMENTAAR(¥)
Een kind van Aberam Cabbeljau, bij die brouwerij van die Roos, wordt beg. Amsterdam Oude Kh. 6-12-1611. Wie van de onderstaande kinderen dit is valt (nog) niet vast te stellen.
|
-
1. Anthoni (Cabeljau), ged. geref. Amsterdam Oude K. 16-1-1592 (hier heet de vader Abram Aebelsz (!), coopman, de moeder Maeijken Cabbels, get. Jannetjen Cabbels).
-
2. Maeijcke Cabelau, ged. geref. Amsterdam Nieuwe K. 9-8-1594 (hier heet de moeder Maeijcke Cabbelaus, get. Tanneken Kabelaus[100]).
-
3. Margaretha Cabeliau, geb. 1595-1597(¥), ovl. 1669, beg. Vada Kyrka, Valentuna (provincie Stockholm), zie voor haar verder
Margaretha Cabeljau
COMMENTAAR(¥)
Het geboortejaar van Margaretha Cabeljau is vooralsnog onbekend. De volgende gegevens kunnen de mogelijke periode inperken:
- huwelijk ouders 30-12-1590, dus geb. na 1590
- zij tr. voor 1615 Andries Sersanders, neem aan dat zij dan minstens 15 is, dus geb. voor 1600
- haar vader Abraham Cabeljau is van 1597-1599 op expeditie naar Zuid Amerika, dus zij is geb. voor 1598, of na 1600
- haar broer Anthoni en zuster Maeijcke zijn geboren 1592 en 1594, hetgeen de periode 1591-1594 uitsluit
- haar zuster Maria is geboren 1597/98, hetgeen deze jaren gedeeltelijk uitsluit
- Ref. [101]
vermeldt dat zij ovl. na 1677 (bijna 80 jaar oud), hetgeen in tegenspraak is met het elders[102]
vermelde sterfjaar 1669.
De voorlopige conclusie moet dus zijn dat Margaretha Cabeljau is geboren 1595-1597.
In Amsterdam viel haar doop niet te vinden, wellicht is het gezin Abraham Cabeljau x Maeijcken van Leest ter voorbereiding van Abrahams expeditie die in dec. 1597 vanuit Den Briel vertrok, naar Dordrecht vertrokken, waar Maeijcke vandaan komt, en waar Abrahams broer Jan Jansz Cabeljau met zijn gezin woont. De doop van de zoon Johannes in Dordrecht feb. 1600 is daarvoor een aanwijzing.
Een doop van Margaretha te Dordrecht viel echter niet te vinden.
|
-
4. Maria Cabeleaus, geb. 1597/98, afkomstig van Amsterdam, woont op de Oude Zijds Achterburgwal (1625),
otr. Amsterdam kerk 20-8-1625 (get. Guillaum Coubriesse de oude, zijn vader, Jonas Cabeliaus, haar oom)
Guil(l)iam Cobrijs(s)e (de jonge), geb. 1592/93, beg. Amsterdam Westerkh. 31-10-1650 (Guiliam Cobrijse, op de Heeregraft, ƒ 10,13,--), afkomstig van Antwerpen, woont in de Waelstraet? te Amsterdam (1625),
woont op de Herengracht (1650).
-
5. Prof. Dr. Johannes Cabeliau (Cabeljavius), ged. Dordrecht feb. 1600, ovl. Göteborg, beg. Stockholm Riddarholmskerk 5-12-1652, volgt 4d.
-
6. Abraham (Francisco, Francoys) Cablau (Cabelliauw), ged. geref. Amsterdam Oude K. 10-11-1602 (hier heet de moeder Maijken Cablau), verblijft te Recife (Mauritsstad) (1640..1647).
Een doopregister der Hollanders in Brazilie, Recife:
28-1-1640:
Henrick. Ouders : Harman Henrick en Janneken Struys , get. : Abraham Dapper, Abraham Cabbeliau,
Elisabeth Schaep, Theodora Coets.
[103]
4-11-1647: Anna. Ouders: Johannis Morris en Catharina Legget , get.:
Abraham Francoys Cabbeliau,
Joffr. Anna Redinckhovens.
[104]
Inventaris Oude West-Indische Compagnie
Datum onbekend: Verzoekschrift van de crediteuren van Hans Leendertsen le Bruijn aan de hoge en secrete raden, ondertekend door: Frans Bruijn Antonissen. Marten Eleman. Nicolaes Verdion. Joost Bullestraate. Jacob Pouwelsen. Davit Nicolaij. Daniel van Steenwinckel. Guielliame Jehu. Pieter Willemsen Raap. Joris van der Ghijsen. Paulus Raepers. Abraham Francisco Cabelliauw. Samuel en Antoni van Gansepoel. Isaac de Costa. Pieter Misnir. Duarte Saraijva. Ishae Saraijva Corenel. Mordochaij Abendane.
[105]
-
7. Sara Cabeliau (Cappeljauw), ged. geref. Amsterdam Oude K. 30-12-1604 (hier heet de moeder Marija van Lust, get. Anna Smits en Jonas Cabeliau tot Rotterdam, en Sara de wed. van Jacob Cabeliau tot Leijden), beg. Amsterdam Oude Kh. 1-12-1606 (kind van Abraham Cabbeljau, bij de brouwerij van de Roos, ƒ 1,9,--).
-
8. Isaack Cableau, ged. geref. Amsterdam Nieuwe K. 2-11-1606 (get. Catarijna Cableau), beg. Amsterdam Oude Kh. 29-6-1607 (kind van Aberham Kabbeliau bi de brouweri van de Roos, ƒ 2,18,--).
-
9. Jacob Kabbeljau, ged. geref. Amsterdam Oude K. 2-12-1607 (hier heet de moeder Maijken Kabbeljau, get. Mr. Jacob van Dijck, Jan Wijten, Geertje Bincke (Vinck?)).
-
10. IJsaack Kabbeljau, ged. geref. Amsterdam Oude K. 25-7-1610 (hier heet de moeder Maijken Kabbeljaus, get. Marten Vinck, Pieter Prens, Tanneken Kabbeljaus), beg. verm. Amsterdam Oude Kh. 6-12-1611 (kind van Aberam Cabeliau bij die brouer van die Roos, ƒ 8,--).
-
11. Anna Cabeljau(¥), ovl. vóór 1665, tr.[106]
Peter Wehrhusen, beg. Stockholm Riddarholmskyrkan 6-5-1675, (volgens Ref. [107] Peter von Duyverlandt von Rodin),
bezat landgoed en woonde in het bisdom van Bremen,
burger in Stockholm (1665).
Hij hertr. Helsingborg dec. 1665 Maria Cabeljau, dr. van zijn zwager Prof. Dr. Johannes Cabeliau en Machteld Haeck (zie nr. 4d).
| COMMENTAAR(¥)
Haar doop in Amsterdam en Dordrecht niet gevonden.
|
|
Margaretha Cabeljau - een veelbewogen leven |
-
3. Margaretha Cabeliau, geb. 1595-1597, ovl. 1669, beg. Vada Kyrka, Valentuna (provincie Stockholm), (in de Zweedse literatuur veelal naar haar tweede echtgenoot Margaretha Slots genoemd)
volgde om onbekende redenen in 1615 (toen reeds getrouwd) haar vader naar het Zweedse leger in Lijfland (thans Letland/Estland),
waar zij opviel door haar ongewone schoonheid en gratie, ook bij de jonge Gustaaf II Adolf koning van Zweden (geb. 1594, ovl. 1632), met wie zij vervolgens in de zomer van 1615 tijdens de langdurige belegering van Pleskov aldaar (ten zuiden van St. Petersburg) een relatie had, waaruit een zoon (zie hieronder),
ontving daarna meerdere leengoederen, onder andere in 1619 het landgoed Benhamra in de provincie Stockholm,[108]
dat in 1625 door de belastingambtenaar Jacob Galle inbeslaggenomen dreigde te worden nadat Margaretha haar pachters had verboden om deel te nemen aan wegwerkzaamheden, waarna zij naar de hoeve van de schoonvader van Galle, waar hij overnachtte, kwam en vroeg of hij niet had gehoord van haar privileges die ze van de koning had ontvangen, sloeg hem vervolgens met zijn stok, waarna Galle door haar dienaar werd mishandeld en overleed, waarna Margaretha werd beschuldigd hem te hebben vermoord, wleke beschuldiging echter geen verdere consequenties lijkt te hebben gehad,
zou Gustav sinds haar vertrek als minnares nog slechts een maal hebben ontmoet in het jaar 1630,[109]
tr. 1o ca. 1611-1615[110]
Andries Sersanders, ovl. vóórjaar 1616 (volgens Ref. [111] "gesneuveld"), afkomstig uit Vlaanderen (verm. uit de Gentse familie van die naam),
studeert af op de Leidse ingenieursschool,[112]
krijgt op 17-2-1611 van de Staten Generaal ƒ 75,-- voor een opdracht tot het vervaardigen van een kaart van het beleg van Gulik (in 1610),[113]
vertrekt in 1611 naar Zweden, waar hij Gustaaf II Adolf koning van Zweden geregeld op zijn reizen vergezelt,[114]
o.a. tijdens de Ingrische Oorlog tussen Zweden en Rusland (1610-1617),[115]
maakte een plan voor de fortificatie en een stratenplan voor de herbouw van de Zweedse stad Kalmar na de verwoesting in de Deens-Zweedse oorlog (1611-1613),[116]
[117]
tr. 2o 1618[118]
[119]
Arendt Slots (Slotz), ovl. 1618/19, papiermaker,
afkomstig van Holland,
tr. 3o 1619[120]
[121]
Jacob Trello(w)(¥), geb. vóór ca. 1595, ovl. 17-1-1632, beg. Vada Kyrka, Valentuna (provincie Stockholm), afkomstig uit Nederland,
opperbuskruitmaker in het Zweedse leger,
woonde tot zijn dood op de boerderij Stora Bergshamra in Roslagen,[122]
tr. 4o 1632-1634[123]
D. (Dirc/Daniel?) Hovius, meelijwekkende schilder uit Amsterdam "miserrimus pictor Amstelodamensis", die naar Göteborg was gekomen.
COMMENTAAR(¥)
Jacob Trello is verm. verwant (broer, zoon?) aan Charles van Trello, militair in dienst van Willem van Oranje, bevelhebber van onder meer Loevestein en Herenthals, en schout van Utrecht,[124]
en mogelijk identiek met Jhr. Jacob van Trello, ordinaris edelman van zijn Pr. Excellentie van Nassau (zie akte hieronder).
Op 11-6-1610 hebben,
op verzoek van Jhr. Jacob van Trello, ordinaris edelman van zijn Pr. Excellentie van Nassau,
Ghijsbert Ghijsbertsz, oud 46 jaar, hoeffsmit, en
Henrick Jansz van Couwenburgh, oud 49 jaar, molenaer,
een verklaring afgelegd over een paard van requirant dat
ten huize van Ghijsbert Ghijsbertsz staat om genezen te
worden van worm.
[125]
|
|
Gravure van het beleg van Gulik (1610).
"Is Andries Sersanders, die, by last van Syne Exellentie, opgemaect ende in 't nette gestelt heeft de plaete van de Belegering van Gulich, met alle hare quartieren, buytenwercken, approchen ende bataillons in der bester forme, na de konste van de geometrie, ende die Heeren Staten gepresenteert, toegeleyt ƒ 75." Resolutie der Staten-Generaal, 17-2-1611. [126]
De hier vertoonde plaat is vervaardigd te Amsterdam in 1649, kennelijk naar de oorspronkelijke tekening of gravure die door Andries Sersanders is gemaakt in de periode 1611-1616.
Bron: Atlas van Loon
|
Kaart door Andries Sersanders (..-1616) van de herbouw van de door de Denen grotendeels verwoeste Zweedse stad Kalmar.
Datering: 1616
Bron: Gerhard Eimer: Die Stadtplanung im schwedischen Ostseereich 1600-1715, Stockholm, 1961.
klik op plaatje(s) om te vergroten | |
|
In de Vada kerk te Valentuna, provincie Stockholm,[127]
[128]
bevindt zich het grafmonument van Jacob Trelo, bestaande uit twee gebeeldhouwde zandstenen platen, daarboven op een klein houten bord een wapen:
een blauw schild met drie paalsgewijs geplaatste zespuntige gouden sterren, waarboven een open tournooihelm bekroond met een uitkomende gouden greep (grip?), dekkleden blauw en goud. Onder en boven het wapen de teksten zoals aangegeven.
Dit wapen is identiek met dat van Charles van Trello, militair in dienst van Willem van Oranje: in blauw drie gouden sterren boven elkaar.[129]
|
Tekening van de Vada kerk te Valentuna.
Bron: Tekeningen van Johan Hadorphs reizen, 1680.[130]
klik op plaatje(s) om te vergroten | |
Uit de relatie van Margaretha Cabeliau en Gustaaf II Adolf Vasa koning van Zweden:
-
a. Gustav Gustavson (graaf van Vasaborg), geb. Stockholm 24-5-1616, ovl. Wildeshausen (Bremen, D) 25-10-1653, beg. Stockholm eigen graf in de Riddarholmskyrkan 24-6-1655 ("in een dure grote doodskist van Engels tin")[131], werd onmiddellijk na zijn geboorte overgedragen aan de befaamde militair en politicus Carl Gyllenhielm (halfbroer van Gustaaf II Adolf, en bastaardzoon van diens vader Carl IX koning van Zweden),
en genoot van hem een zorgzame opvoeding,[132]
verbleef in 1630 aan de universiteit van Wittenberg, waar hij Rector Illustris S.A. werd, hield een toespraak in het Latijn over Gustaf Adolfs overwinning bij Leipzig in 1631,
was vervolgens Zweedse krijgsdienst (de Dertigjarige Oorlog woedde), excelleerde door moed en werd benoemd tot kolonel van een regiment cavalerie Lijflanders,[133]
raakte gewond bij de belegering van Chemnitz (aug. 1632) door Zweedse troepen onder Bernhard von Sachsen-Weimar,
werd op voorspraak van kanselier graaf Axel Oxenstierna, door de koningin-weduwe Maria Eleonore van Brandenburg aanbevolen bij de toenmalige Zweedse veldmaarschalk in Nedersaksen, Dodo baron von Innhausen und zu Knyphausen,
oppercommandant van Osnabrück,
nam deel aan de belegering van Nordlingen in september 1634,
werd in oktober 1634 door de Zweedse veldmaarschalk Johan Banér naar het Stift Bremen gestuurd,
voerde na de Vrede van Praag (1635) zes ruiterregimenten aan in het keurvorstendom Mainz, waar hij veel plaasten liet plunderen,
wilde begin 1636 met zijn regiment naar Westfalen terugkeren hetgeen door Johan Baner niet werd toegestaan,[134]
werd in 1637 in de adelstand verheven en ontving toen Vibyholms Kungsgard in Södermanland en Saaris goederen in Finland,
werd in 1646 door zijn halfzuster Christina koningin van Zweden bevorderd tot graaf van Vasaborg, begiftigd met het graafschap Nystad,[135]
benoemd tot gouverneur van Estland (1645-1646), en rijksraad (1646)
[136]
tr. vóór 1644
Anna Sofia gravin van Wied-Run(n)kel, geb. Runkel (Nassau) 3-9-1616, ovl. 1694, dr. van Hermann II graaf van Wied-Runkel-Isenburg en Juliana Elisabeth gravin van Solms-Hohensolms.
|
Gustav Gustavson graaf van Vasaborg (1616-1653),
buitenechtelijke zoon van Margaretha Cabeliau en Gustav II Adolf Wasa koning van Zweden.
Datering en locatie: onbekend.
|
en diens vader Gustav II Adolf Wasa koning van Zweden (1594-1632).
Datering en locatie: onbekend.
klik op plaatje(s) om te vergroten | |
Uit dit huwelijk:[137]
[138]
[139]
-
aa. Christina gravin van Wasaborg, geb. Koenigsberg Stadt (Ostpreussen) 1644, ovl. Dorpat (Estland) 9-9-1709, woonde in Pöltsamaa (Estland), waar zij zou hebben meegewerkt aan het ontwerp van de nieuwe kerk, en waar zij in 1680 onderwijs financierde voor een niet-duitse school,[140]
tr. Stockholm 21-2-1665
Wolmar Wrangel baron van Lindenberg, geb. Stockholm 1-11-1641, ovl. Pommeren 27-12-1675, luitenant-generaal van het Zweedse leger in de slag bij Fehrbellin (juni 1675) tegen Frederik Wilhelm keurvorst van Brandenburg,[141]
zn. van veldmaarschalk Hermann von Wrangel, Heer van Wallkull, Wasahof, en Amalia (Magdalena) gravin von Nassau-Siegen.
|
Slag bij Fehrbellin 28-6-1675.
(niet contemporain) Schilderij door Dismar Degen.
Datering: 1740.
Strijd tussen het Zweedse leger (7000 infanteristen, 4000 kavalleristen, 28 kanonnen) onder leiding van luitenant-generaal Wolmar Wrangel baron van Lindenberg tegen een Brandenburgs leger (5600 kavalleristen, 13 kanonnen) onder leiding van Frederik Wilhelm keurvorst van Brandenburg.
In het midden op de schimmel Frederik Wilhelm keurvorst van Brandenburg.
[142]
[143]
klik op plaatje(s) om te vergroten |
-
bb. Gustav graaf van Wasaborg, geb. Stockholm 23-5-1645, ovl. Stockholm 28-1-1646, beg. in het graf van zijn vader in de Riddarholmskyrkan, Stockholm.
-
cc. Charlotta gravin van Wasaborg, beg. Stockholm Riddarholmskyrkan 24-6-1655.
-
dd. Gustav Adolf graaf van Wasaborg, geb. 21-4-1653, ovl. Wildeshausen 4-7-1732, beg. in de kerk van Hundlosen, luitenant-kolonel in Hannoverse dienst,
tr. 26-7-1679
Angelica Catharina gravin zu/von Leiningen-Westerburg, geb. 24-4-1663, ovl. 1740, dr. van Georg Wilhelm graaf von Leiningen-Westerburg en Sofia Elisabeth gravin zur Lippe-Detmold.
Hieruit verder nageslacht bekend (15 kinderen).
-
ee. Sofia gravin van Wasaborg, geb. 3-5-1654 (postuum), ovl. 8-8-1654, beg. Stockholm Riddarholmskyrkan.
Uit het huwelijk (Hovius-Cabeljau):[144]
-
a. Sara Catharina Hovius, geb. Göteborg 1634, ovl. 1714, groeide in het Zweedsche land op,
tr. 1o voor 1659[145]
Isaac de Besche (Becx), ovl. najaar 1673, komt op Gödegard bij Jean de Geer,
wordt in 1673 ernstig ziek, en overlijdt.
Zijn vrouw Sara Catharina Hovius krijgt een relatie met Isaacs voormalige werkgever Jean de Geer van wie zij zwanger werd, als gevolg waarvan zij het land moest verlaten. Met hulp van de De Geers kwam zij in Pera bij Constantinopel terecht, waar zij beviel van een zoon Jan,
keert terug in Zweden en
tr. 2o Gödegard 27-11-1674[146]
[147]
J(oh)an (Jean) de Geer, geb. Amsterdam 1632, beg. in de kerk van Gödegard 1696, neemt Gödegard, Dammen end Skyllberg over van zijn vader,
zn. van Jhr. Louys de Geer van Finspong en Leufsta, Heer van Osterby, Finspong, Fossala enz., Raad en Resident van Gustaaf Adolf Koning van Zweden, lid van het Zweedsche Ridder Huis, en Adrienne Gérard.[148]
Zij verkreeg spoedig
"den spottenden bijnaam Penseeltje en zij wordt daarin afgeschilderd, als een wezen, dat in alle opzichten aan haren tweeden man gewaagd was en veel afbreuk deed aan den goeden naam der familie De Geer".
|
Geschilderd portret van Jean de Geer (1632-1696), toegeschreven aan Martinus Mijtens (1648-1736).
Op de achterzijde: "Jean De Geer till Godgard och Skyllberg, Brukspatron fodd 1632 - dod 1696"
(Jean De Geer van Godgard en Skyllberg, eigenaar van hoogovens, geboren 1632 - overleed 1696)
Olieverf op doek, 85 x 67 cm
Datering: onbekend. Martinus Mijtens was werkzaam in Zweden vanaf 1677. Aangenomen dat de portretten tegelijkertijd en bij leven van geportretteerden zijn geschilderd dan moet de datering luiden 1677-1696, hetgeen kan kloppen met de geschatte leeftijd van ca. 50 jaar van de geportretteerden.
Locatie: geveild te Uppsala, zie hiernaast.
|
Geschilderd portret van Sara Catharina Hovius (1634-1714), toegeschreven aan Martinus Mijtens (1648-1736).
Op de achterzijde: "Sara Hofvia gift m. Jean De Geer 1675" (Sara Hofvia getrouwd met Jean De Geer, 1675)
Olieverf op doek, 110 x 87,5 cm
Datering: zie hiernaast.
Locatie: beide portretten geveild voor € 4000 op 4-12-2007 bij
⇒ Uppsala Auktionskammare
(die de schilderijen abusievelijk toeschrijft aan Martinus Mijtens de Jongere (1695-1770)).
klik op plaatje(s) om te vergroten | |
Uit het eerste huwelijk van Sara Catharina Hovius met Isaac de Besche:[149]
-
aa. Anna Margaretha de Besche (Bex), geb. Stockholm 6-10-1659, ovl. kort voor 1-1-1727,[150]
doopget. te Stockholm 1694 als Margaretha Rumpf, echtgenote van Christian Rumpf, ordinaris minister van de Staten-Generaal aan het Zweedse hof,
verliet Stockholm 4-6-1721,[151]
tr. 1675-1684[152]
Dr. Christiaen Constantin Rumpf, geb. 's-Gravenhage 1626/27, ovl./beg. Stockholm Mariakerk 2/5-8-1706, ingeschreven als student letteren en geneeskunde aan de Universiteit van Leiden 30-5-1643 ("Christianus Constantinus Rumpfius", Hagiensis, 16 (jaar)"),[153]
promoveert aldaar in de beide rechten op een dissertatie Jur. ad Legem. Juliam Majestatis,[154]
medicus te Leiden,[155]
vertrekt als diplomaat naar Parijs (1660), secretaris van de
ambassade aldaar (1668), gemachtigde van de prins van Oranje en agent van de Staten Generaal aldaar (tot 1674), wordt benoemd (20-4-1674) en is resident in Zweden (1674-1706), vandaar met verlof naar Holland (1686-1687),
laat ter gelegenheid van de vrede te Nijmegen (1678) een gedenkpenning munten "en onder het volk werpen",[156]
doopget. te Stockholm 1695,
wednr. van Elisabeth Pierrat de Longueville (uit Metz),
zn. van Dr. Christiaan Rumpf, lijfarts van Frederik keurvorst van de Palts en koning van Bohemen, en later van de Prins Maurits van Oranje en Prins Frederik Hendrik van Oranje, en van Agneta de Spina. [157]
[158]
Uit dit huwelijk (o.a.) een dochter:
-
aaa. Jeanne Margaretha Rumpf, geb. 1688, ovl. 1708, tr.[159]
Anthony Gustaaf de Geer van Ekesund. Heer van Ekesund, majoor in Zweedse dienst,[160]
zn. van Jhr. Louys de Geer, Heer van Finspong, Rijnhuysen, Ringstaholm, Fossala, Ekensund, Wenda, Prysgärd en Nieuwaal, kolonel in Zweedse dienst, Assesor en Raad in het Zweedse Bergcollegium, en Jeanne Parmentier van Heeswyck.
Hieruit:
Jeanne (Joanna) Elisabeth de Geer, geb. Stockholm 13-7-1708, ovl. 's-Gravenhage 14-12-1766,[161]
vrouwe van Heeze, Leende en Zesgehuchten,
liet het gebouw der Nationale Bibliotheek in den Haag bouwen,
tr. 1o 1731
Sir Walter Senserf (Baronet), ovl. 1752, officier in Statendienst
tr. 2o 's-Gravenhage 9-10-1753[162]
Jan Maximiliaan van Tuyll van Serooskerken, geb. (kasteel) Zuylen 25-4-1710, ovl./beg. 's-Gravenhage/Zuilen 18/23-12-1762, heer van Westbroek en Vleuten,
generaal-majoor der cavallerie,
wednr. van freule Ursula Christina Reiniera van Reede-Athlone.
Hieruit verder nageslacht bekend.
Uit de relatie van Sara Catharina Hovius met Jan de Geer:[163]
-
aa. Jan Hovius / Hovy , geb. Constantinopel 19-5-1674(¥), ovl. Kronstadt 14-3-1743, kwam onder de hoede van zijn oom Louys de Geer van Finspong, die hem liet opleiden tot chirurgijn,
wordt aangesteld als eerste chirurgijn op de vloot van admiraal Cees Cruys, die in 1697 op Rusland uitvoer, wordt lijfarts en gezant van Czar Peter de Grote,
die hem te Archangel de vrede met Zweden (1721) laat aankondigen en die hij vergezelt op diens veldtocht naar Perzie (1722-1723),[164]
tr. Moskou 16-3-1703
Catharina Ram. Hieruit verder nageslacht bekend.
| COMMENTAAR(¥)
Volgens Ref. [165] overlijdt Jan Hovy op 80 jarige leeftijd te Kroonstad 14-3-1743. Dan zou zijn geboortejaar dus 1662/63 moeten zijn.
|
Uit het tweede huwelijk van Sara Catharina Hovius met Jan de Geer:[166]
-
bb. Jéhan de Geer, geb. Gödegard 19-6-1675.
-
cc. Louys de Geer, geb. Gödegard 9-5-1677. Hieruit verder nageslacht bekend (de Ridders de Geer van Skalboo en de baronnen de Geer van Terwik in Zweden en de Graven de Geer van Terwik in Rusland).[167]
|
3d. Jaecques (Jacob) Jansz Cabbeljou, geb. vóór ca. 1570, beg. Leiden Pieters Kerk 20-6-1604 (Jacob Cabeljau, wonend op de Hogewoerd), wordt bij zijn otr. vermeld als "heer van Mullem",
wordt poorter van Leiden 13-11-1598 (get. zijn vader Jan Cabbeljau),
otr. Leiden geref. 3-3-1592 (get. voor hem: Franchoys Cabbeljau(¥), voor haar: Symon du Boys, haar oom, Jozyna Lagers, huisvr. van Antonis Zayon, haar bekende)
Sara du Boys, geb. vóór ca. 1570, ovl. na 1608, wed. van Jan Moenes,
afkomstig van Middelburch,
is als Sara de wed. van Jacob Cabeliau tot Leijden doopget. te Amsterdam (1604),
huw. get. (1609, 1614), doopget. (1622, 1626).
Zij hertr. Leiden geref. 24-3-1608 (get. Johan Pellicorne, zijn bekende, Proontgen Blocx, haar bekende) Pieter van der Schuyre, wednr. van Fransijn Dircksdr, (zie
⇒ Fragment Van der Schuyre).
Het echtpaar Jaecques (Jacob) Jansz Cabbeljou x Sara du Boys komt voor als
⇒ kw. nr. 12842 en 12843
in de Kwartierstaat Lapikás.
Jacob Cabeljau en Sara Duboys wonen in 1589 in de Sint Jorissteeg bon Hogewoerd (dan dus nog niet gehuwd!).
| COMMENTAAR(¥)
Dat Jacobs vader Jan Cabeljau in 1592 niet als getuige bij het huwelijk aanwezig is ligt voor de hand. Hij is immers in 1588 bij verstek ter dood veroordeeld en levenslang verbannen uit Leiden, Rijnland, Den Haag en Haagambacht. De getuige Franchoys Cabbeljau is zeer waarschijnlijk zijn (iets oudere broer) Frans Cabbeljau.
|
Sint Catharinagasthuis Leiden: Eigendomsbewijs van een rente van 12 gulden en 10 stuiver per jaar ten laste van Jacob Cabbeljau en Pieter van der Schuyre vanwege de koop van een huis op de hoek van de Hogewoerd en het Steenschuur, 1604.
[168]
De dood van Jaques Cabeliaw wordt gerapporteerd in een brief van Jonas Volmaer (te Leiden) aan de kerkeraad van de Nederduits geref. gemeente te Londen:
nr.: 1617
Plaats en datum: Leiden, Saturday, 17 July 1604, N.S.
Afzender: Jonas Volmaer (te Leiden)
Geadresseerde: the Consistory of the Dutch Community, London.
Samenvatting:
My journey from Sandwyts to Leyden was accomplished
very well. I was scarcely one night on the water, and had good company, namely
the Minister of Cantelberghe. My health has improved a little by taking some
physic prescribed for me by one of our Doctors, who tells me that I am not yet
consumptive. I told you before about the money which I had to receive from
Mr Saravia, but you need not take any trouble in the matter, as I have already
received £ 3. from him, and he has told me where I could receive the remainder.
But it would be a great convenience to me if I could draw on you for the
whole amount of £ 30., you might then draw for the £ 5. on Dr Saravia himself, or on me as soon as I have received it from him. I ask this because I have sometimes to wait very long before I get the money from him, for instance I have now been waiting nearly a year, and have only received £ 3. You have heard,I presume, of the death of Jaques Cabeliaw, who used to pay us the money. Please let me know whether I am to receive it now from his widow, or anybody else.
Uit het huwelijk (Cabbeljou-du Boys) (o.a.?):
-
2. Jacob Cabbeljau, geb. vóór ca. 1590, ovl. na 1647, volgt 4j.
-
3. Lenert Jacobsz Cabelau, geb. vóór ca. 1595, filiatie niet bewezen,
huurder van de impost der beestialen (1606), zeevarende (1616), stedewaecker (1629), stoker (1630), te Goedereede,
tr. vóór 1616
Pieternelletge Adriaens, dr. van Adriaen Lenertsz.
Stadsrekeningen Goedereede:[169]
1606: Leendert Jacobz Cabbeljau, huurder van den impost der beestialen
voor den 48e penning
1613: Jacob Jacobz Cabbeljau voor levering van zeep, olie en kaarsen voor het spui
1629: Lenart Jacobz Cabbeljau is "stedewaecker"
1630: Lenart Jacobz Cabbeljau is stoker "op den vierbaken op dezen toren"
Op 29-8-1616 machtigt
Lenert Jacobsz Cabelau (tekent Cabeliaeu), zeevarende, te Goedereede, namens zijn vrouw Pieternelletge Adriaens, zijn broer Jacob Jacobsz Cabelau en zwager Jan Garbrantsz, beiden te Goedereede, inzake de erfenis van haar vader Adriaen Lenertsz, gestorven te Veere.
[170]
-
a. Maertje Leendertse Cabbeljaus, geb. vóór ca. 1640, doopget. (1658),
tr. 1o voor 1659
Pasquier Janz, tr. 2o Goedereede 10-8-1670[171]
Claes Maertenz van der Wiel, wednr. van Klaertje Rogiers.
Uit haar eerste huwelijk (Jansz-Cabbeljaus):[172]
-
aa. Wilhelm Pasquiersz, ged. Goedereede 30-3-1659, ovl. jong?
-
bb. Wilhelm Pasquiersz, ged. Goedereede 25-7-1660.
-
b. Job Leendertsz Cabbeljau, geb. vóór ca. 1625, tr. vóór 1668
Grietje Jans.
-
aa. Jan Jobsz Cabbeljau, ged. Goedereede 17-11-1668.
-
bb. Wilhelm Jobsz Cabbeljau, ged. Goedereede 11-12-1661.
-
cc. Piet(ernell)a Jobs Cabbeljau, ged. Goedereede 14-4-1669.
Uit een mogelijk eerder huwelijk van Job Leendertsz Cabbeljau:
-
aa. Leendert Jobz Cabbeljaeu, geb. vóór ca. 1650, j.m. van Goeree,
tr. Goedereede 29-11-1676[174]
Neeltje Cornelis, j. d. van Ouddorp.
-
aaa. Job Leenderts Cabbeljaeu, ged. Goedereede 7-8-1678.
-
bbb. Arjaantje Leenderts Cabbeljaeu, ged. Goedereede 15-12-1680, ovl. jong?
-
ccc. NN (oningevuld) Leenderts Cabbeljaeu, ged. Goedereede 28-3-1683.
-
ddd. Arjaantje Leenderts Cabbeljaeu, ged. Goedereede dec. 1685.
-
c. Jacob Lenartz Cabbeljau, geb. vóór ca. 1635, tr. vóór 1658
Teuntje Ariens (ook Leuntje Jooste).
-
aa. Leonard Jacobs Cabbeljau, ged. Goedereede 29-9-1658 (get. Maertje Leenderts Cabbeljau), ovl. jong?
-
bb. Pieternella Jacobse Cabeljaeu, ged. Goedereede 31-10-1660, tr. 1o
Lieven Jongste, tr. 2o Goedereede 21-1-1701[177]
Adriaen Lievense de Bot.
Uit haar tweede huwelijk (de Bot-Cabbeljau):[178]
-
aaa. Lieven de Bot, ged. Goedereede 1-10-1702.
-
cc. Leendert Jacobs Cabbeljau, ged. Goedereede 20-1-1666.
3e. Cornelis Cabbeljau, geb. vóór ca. 1570, ovl. na 1623, afkomstig van Gent (1591), wonend te Leyden (1597),
huw. get. (1599, 1600, 1623),
huurde op 17-12-1592 het 2en (bay)raem, wesende een halven rolraem om zijn weefsels op te hangen,[179]
dekendrapier (1602, 1606),
vermeld in het register van weefgetouwen in de baaidraperie te Leiden (1602) met 2 baaigetouwen en 1 lakengetouw,[180]
vermeld in het register van weefgetouwen in de baaidraperie te Leiden (1602) met 1 dubbelgetouw,[181]
wordt in 1606 gehoord door magistraat van Leiden in verband met het uitvaardigen van een keur "Nopende 't drapieren van de Spaensche deeckenen",[182]
gekozen tot hoofdman van het baey-, laecken- en roldraperiersgilde (11-11-1610)
otr. 1o Leiden geref. 13-12-1591 (get. voor hem Jorys Cabbeljau, zijn broeder, en Anthonis van den Hoet, zijn bekende, voor haar Vyntgen Verbrugge, haar moei)
Maijcken van (H)Anselare, ovl. 1591-1597, afkomstig van Gent (1591),
otr. 2o Leiden geref. 20-4-1597 (get. voor hem Pouwels Cabbeljau, zijn broeder, en Jorys Cabbeljau, zijn broeder, voor haar Tanneken Hagels, haar moeder)
Sara van Dycke, afkomstig van Zantwyc in Engelant, wonend te Leyden (1597),
op de Hogewoert (1623), huw. get. (1623).
Thesauriersrekening Leiden 1612:[183]
Noch aen de mannen van de baeyen, laeckenen ende
roldraperieneringe, gecoren naer Martini 1610 (=11-11-1610), als Cornelis Cabbeljau ende Jan Huyrluyt, comende jaerlicx voor haere wedden een somme van 24 guldens
volgende de resolutie van die van de gerechte, genomen .... den eersten Marti
anno 1590,.... hier sulex over haer wedden, tyde deser reeckeninge verscheenen,
betaelt deselve 24 gl.
Uit een van zijn huwelijken:
-
1. Michiel Cabbeljau, geb. vóór ca. 1600, ovl. 1653-1657, volgt 4f.
-
2. Maertgen Cabbeljaeus, geb. vóór ca. 1605, ovl. 1661-1680, huw. get. wonend op de Hoygraft (1658), doopget. (1661),
otr. Leiden geref. 24-8-1627 (get. voor haar Sara van Dijcke, haar moeder, wonend op de Hogewoert, voor hem Cornelis Jopsz Daen, zijn broer wonend te Siericksee)
Job Jopsz Daen, ovl. 1654-1680, afkomstig van Siricksee, gorter (1627), wonend op de Hogewoert (1627), op de Hoijgraft (1646),
doopget. (1662, 1667).
In 1654 zijn Job Danen, gorter, en Maertje Cabbeljauw eigenaar van een huis in de Clarasteeg bon West-Marendorp-Landzijde.
Hieruit verder nageslacht bekend.
In 1680 zijn de erfgenamen van Maertje Cabbeljaeu en Job Danen eigenaar van een huis op de Hooigracht bon Kerkvierendeel te Leiden.
-
3. Pieter Cornelissen Cabeljou(¥), geb. vóór ca. 1625, filiatie niet bewezen,
doopget. (1653),
mogelijk identiek met
Pieter Cabbeljau, geb. vóór ca. 1625, ovl. 1646-1652, lakenbereider, afkomstig van Leyden, wonend op de Hoeijgraft (1646),
doopget. (1639),
otr. Leiden geref. 7-7-1646 (get. voor hem Jan Jorisz, zijn toekomstig oom, lakenbereider wonend in de Duijsentraetsteech, voor haar Geertgen Lodewijcx, haar schoonzuster wonend op de Middelwech)
Jannetgen Joris, afkomstig van Leyden, wonend op het Sant (1646), bij de Sijlpoort (1653).
Zij hertr. Leiden 19-4-1652 Paulus van der Hede, wednr. van Hillegont Gerrits.
| COMMENTAAR(¥)
Wat is het verband met
NN, beg. Leiden Pieters Kerk 29-9-1619 (de huisvrouw van Pieter Cabbeljau wonende op Levendaal).
|
-
a. Judith Cabeljoub, ged. geref. Leiden Hooglandsche Kerk 30-6-1647 (geen moedersnaam genoemd, get. Jacob Cabeljoub, Lijsbeth Claes).
-
a. Rachel Cabeljau, ged. geref. Leiden Hooglandsche Kerk 24-8-1649 (geen moedersnaam genoemd, get. Frederijck Ambrosius, Claesje Barents).
-
4. Cornelis Cabeljau, geb. vóór ca. 1605, volgt 4i.
filiatie niet bewezen,
3f. Lieven Cabbeljau, geb. vóór ca. 1575, ovl. na 1640, afkomstig van Gent (1599),
dekendrapier (1599..1606), verver (1606), lakenbereider (1640),
vermeld in het register van weefgetouwen in de baaidraperie te Leiden (1602) met 1 baaigetouw,[184]
wordt in 1606 gehoord door magistraat van Leiden in verband met het uitvaardigen van een keur "Nopende 't drapieren van de Spaensche deeckenen",[185]
betaalt als een van de gildebroeders, "die gheen winckel noch knechten en houden", 4 stuivers contributie aan het lakenbereidersgilde te Leiden (1640),[186]
verver wonend te Leyden (1629),
doopget. (1623..1639), huw.get. (1629),
wonend op de Hoijgraft (1629),
otr. 1o Leiden geref. 23-4-1599 (get. voor hem Cornelis Cabbeljau, zijn broeder, en Jorys Cabbeljau, zijn broeder, voor haar Lysbeth Jansdr, haar nicht, en Robine Lourens, haar bekende)
Janneken Visschers, afkomstig van Ronsse,
otr./tr. 2o Leiden schepenen 9/25-3-1629 (er staat niet bij dat hij wednr. is)
Sara Philips, ovl. na 1649, wonend te Haerlem (1629), op Levendeel (1636, 1638), op de Sijtgraft (1649),
doopget. (1639).
Vermeldingen in ONA Leiden (tekst nog opzoeken):
1629: Lievijn Cabelliau [187]
1631: Lievijn Cabelliau [188]
1645: Lieven Cabelliau en echtgenote Saertgen Philps [189]
Uit dit huwelijk (o.a.?):
-
1. Adriaen Cabbeljaeu, geb. vóór ca. 1600, ovl. 1640-1659, volgt 4g.
-
2. Daniel Cabbeljauw, geb. vóór ca. 1605, ovl. 1636?, verver, afkomstig van Leyden, wonend op de Hoygraft (1629, 1636),
(rood)verver (1629, 1636),
otr. Leiden geref. 21-8-1629 (get. voor hem Lieven Cabbeljauw, zijn vader wonend op de Hoijgraft, voor haar Maertgen Pietersdr, haar zuster, wonend in de Nieuwesteech)
Jaecquemyntgen Pietersdr, afkomstig van Reijnsburch, wonend in de Nieuwesteech (1629),
op de Hoygraft (1636, 1656),
huw. get. (1656).
Daniel Cabbeljau, roodverver, en Jacquemijntge Pietersdr zijn in 1636 eigenaar van een huis op de Hooigracht bon Gansoorde.
Daniel Cabbeljau, roodverver, en Jacquemijntge Pietersdr Verschuyr zijn in 1672 (sic!) eigenaar van een huis in de Ververstraat bon Havenbon.
Zij hertr. Leiden geref. 5-11-1636 Henrick Outhuys.
Vermeldingen in ONA Leiden (tekst nog opzoeken):
1629: Daniel Cabelliau [190]
1631: Daniel Cabbeliau, verver [191]
1631: Daniel Cabbeliau, verver [192]
Uit dit huwelijk (o.a.?):
-
a. Jannetgien Cabbiljaeus, geb. vóór ca. 1635, filiatie niet bewezen,
afkomstig van Leyden, wonend op de Hoygraft (1654),
otr. Leiden geref. 17-3-1654 (get. voor haar Jaecquemijntgien Pieters, wonend op de Hoygraft, voor hem Balthasar de Bane, zijn oom wonend op de Hogewoert)
Isaack (Jacquesz?) van Roevroy, afkomstig van Leyden, greinreder wonend op de St. Jacobsgraft (1654).
Isack Rouveroy en Jannetge Cabeljau zijn in 1672 eigenaar van huizen te Leiden in de Ververstraat bon Havenbonen in het Slop bon Noord-Rapenburg
-
3. Lysbet (Elysabeth) Cabbeljau(ws), geb. vóór ca. 1620, ovl. 1658-1661, afkomstig van Leyden, wonend op de Ouden Rijn (1638, 1649),
in de Haerlemstraet (1656),
doopget. (1653, 1658),
otr. 1o Leiden geref. 22-4-1638 (get. voor haar Sara Phillips, haar moeder (=stiefmoeder!) wonend op Levendeel, voor hem Jan Jacobszn Hoochburch, zijn oom)
Cornelis Anthonisz van Heyningen, ovl. 1640-1649, bakker, afkomstig van Alphen, wonend op de Hogewoert (1638),
otr. 2o Leiden geref. 29-10-1649 (get. voor haar Sara Cabbeljauws, haar moeder (=Sara Philips, haar stiefmoeder!) wonend op de Sijtgraft, voor hem Isbrant Corsz, zijn broeder wonend in de Haerlemstraet)
Dammas Corsz van der Wilde, ovl. 1650-1656, wednr. van Aechgien Pieters, zeemtouwer wonend in de Haerlemstraet (1649),
wordt samen met Lijsbeth Cabbeljau in 1639 (sic!) genoemd als eigenaar van
huizen te Leiden op de Oude Vest bon Oost-Marendorp-Landzijde, en in de Maria Gijzensteeg bon Oost-Marendorp-Landzijde,
otr. 3o Leiden geref. 25-5-1656 (get. voor haar Sara van Smalmen, haar schoonzuster wonend op de Uytterstegraft, voor hem Tonis Cornelisz Ruyterslint?, zijn oom wonend in het Hoffgen van Jerusalem)
Cornelis Gillisz van Binnevest, zeemtouwer, afkomstig van Leyden, wonend in de Haerlemstraet (1656, 1657),
huw. get. (1657),
wordt samen met Lijsbeth Cabbeljau in 1667 genoemd als eigenaar van een huis op de Oude Vest bon Oost-Marendorp-Landzijde te Leiden.
Hij hertr. Leiden/Voorschoten geref. 28-7/21-8-1661 Machtelt Cornelisdr Walwijck, wed. van Jan Jansz van Lier.
Uit haar eerste huwelijk (van Heyningen-Cabbeljaus):
-
a. Anthonis Cornelisz (van Heyningen), ged. geref. Leiden Hooglandsche Kerk 25-4-1639 (vadersnaam onder patroniem, get. Lieven Cabbeljau, Jacob Anthonis, Saertjen Phlips).
-
b. Daniel Cornelisz (van Heyningen), ged. geref. Leiden Hooglandsche Kerk 15-11-1640 (vadersnaam onder patroniem, get. Adriaen Cabellauw, Martyntgen Cabeljauw).
Uit haar tweede huwelijk (van der Wilde-Cabbeljaus):
-
a. Jannetje Dammesdr (van der Wilde), ged. geref. Leiden Hooglandsche Kerk 14-8-1650 (vadersnaam onder patroniem, get. Adriaen Cabeljau, Martijntje Cabeljau).
-
4. Ma(e)rtyntgen Cabbeljaeuws, geb. vóór ca. 1605, ovl. 1637-1655, wonend op de Hooygraft (1626), op het Amsterdamsche Veer (1636, 1637),
doopget. (1640, 1650),
otr. 1o Leiden geref. 21-8-1626
Jan Dircxz van (der) Hal, ovl. 1632-1636, blauwverver wonend in de Haerlemstraet (1626),
zn. van Dirck Adriaans van der Halle, saywercker, en Joryne NN,[193]
otr. 2o Leiden geref. 21-5-1636 (get. voor haar Sara Phillipsdr, haar moeder (=stiefmoeder!) wonend op Levendael, voor hem Jacob Pietersz Rijck, zijn vader wonend te Voorschoten)
Abraham Jacobsz Rijck, ovl. 1636/37, wednr. van Marijtgen Vereecke, schoenmaker wonend te Voorschoten (1636),
otr. 3o Leiden geref. 14-4-1637 (get. Sara Pieters (sic!) haar moeder wonend op Levendeel, voor hem Willem Gerrits, zijn broeder wonend op de Nieuwe Voldersgraft)
Jan Gerritsz Maes, afkomstig van Maestricht, verver wonend op de Oude Chingel (1637), te Leyderdorp (1655).
Hij hertr. Leiden geref. 30-7-1655 Jannetgen Yde, wed. van Elyas Rens.
Op 9-1-1636 machtigt
Abraham Cabeljau, coopman en gemachtigde van Susanna van Quickelbergh, weduwe en erfgename van Jonas Cabeljau, coopman, zijn neef Samuel Cabeljau uit Leyden om gelden te innen uit de nalatenschappen van de weduwe van Heyndrick Lomme, Jan Dircxsz van der Hal en Jacob van der Brugge, allen te Leyden overleden en van hun erfgenamen Samuel Jansz en Lieven Cabeljau.
[194]
Uit haar eerste huwelijk (van Hal-Cabeljau):
-
a. Dircick Jansz van der Hal, ged. geref. Leiden Hooglandsche Kerk 27-1-1632 (get. Dirick van der Hal Janssen, Annetie Matheus, Sara Joosten).
3g. Guillames (Willem) Cabbeljau, geb. vóór ca. 1585, drapier, afkomstig van Gent, wonend te Leyden (1605),
op de Rijn (1634), op de Marckt (1636), huw. get. (1634, 1636), doopget. (1625, 1627),
otr. Leiden geref. 1-11-1605 (get. voor hem Cornelis Cabbeljau, zijn broeder, voor haar Marytgen Bollys, haar moeye)
Abygel Bollys, afkomstig van Leyden.
Uit dit huwelijk (o.a.?):
-
1. Franchoys (Frans) Cabeljau, geb. vóór ca. 1610, ovl. na 1660, volgt 4e.
-
2. Dr. (h.c.) Petrus Cabbeliaeuw, geb. 1608, ovl. Leiden 20-3-1668, volgt 4h.
-
3. Johanna (Jannetgen) Cabbeliau (Cabeljauw), ged. geref. Leiden Hooglandsche Kerk 2-1-1625 (get. Jacob Weijtens, Pieter Billaers, Anna Bolijts), ovl. 1694-1708, afkomstig van Leyden,
wonend op de Hoogewoert (1648), op de Nieuwe Rijn (1670),
doopget. (1647..1668),
otr. 1o Leiden geref. 21-1-1648 (get. voor haar Haesgen Cabeljau, haar schoonzuster wonend op de Langebrugghe, voor hem Simon Matheus Hoochboot, zijn vader wonend op de Nieuwe Rhijn)
Abraham Hoochboot, ovl. 1668-1670, afkomstig van Leyden, wonend op de Nieuwe Rhijn (1648),
doopget. (1668),
otr. 2o Leiden geref. 25-9-1670 (get. voor haar Susanna Cabbeljaeu, haar nicht wonend op de Hogewoert, voor hem Meynaert van Aeckeren, zijn bekende wonend op de Hogewoert, hij moet attestatie van Amsterdam overbrengen, geboden 8 dagen ophouden)
Elisaeus (Elyseus) A(e)rnou(d)ts, ovl. 1675-1694, wednr. van Bernardina van Castricom (Kestrycom),
wonend te Amsterdam (1670),
doopget. te Leiden (1675).
Uit haar huwelijk Hoochboot-Cabbeliau nageslacht bekend (1649, 1653).
Register van Lijfrenten, in 1670 opgenomen door de Stad Kampen:[195]
Den 21en November 1670.
Elisaeus Arnoudts ten lyve van syn huysvrou
Johanna Cabbeliau oudt 45 iaeren, dochter van
Willem Cabbeliau en Abigail Bolys, ƒ 500.
Noch dieselve ten lijve van Willem Arnoudts van Castricom,
oudt 16 iaeren, soon van Elisaeus Arnoudts
en Bernardina van Castricom, ƒ 500.
Op 25-4-1694 transporteren de kinderen en erfgenamen van Golina Balda, weduwe van Johan Houttuyn, ontvanger van de verpondingen te 's-Gravenhage, voor de magistraat van Rijswijk aan Johanna Cabbeljauw, laatst weduwe van Eliseus Aernolt, een losrente ten laste van het Gemeneland van Holland en op naam van de kinderen en erfgenamen van Claes Aldertsz. van Ravesteyn, groot 1250 gld.
Op 15-10-1735 transporteert ds. Jacobus du Toict, weduwnaar van Susanna van Akeren, deze losrente, die zijn echtgenote erfde van Petrus Cabeljauw.
[196]
Op 17-3-1708 worden twee losrenten ten laste van het Gemeneland van Holland, groot respectievelijk 3200 en 800 ponden, en op namen van Johan Aertse en Maria Cornelisdr, uit de boedel van Johanna Cabbeljauw, weduwe van Elizeus Arnold, toebedeeld aan Susanna van Akeren.
De losrente ten name van Johan Meynderts was oorspronkelijk in het bezit van Susanna Fransdr Cabbeljauw. Haar zoon en mede-erfgenaam mr. Jan van Akeren transporteerde de losrente op 2-6-1734 aan ds. Jacobus du Toict, die het op 14-12-1753 uit eigen naam en als erfgenaam van zijn echtgenote Susanna van Akeren, verder transporteert.
[197]
|
Nog niet geplaatst |
|
Suzanna Cabeliau (Cabbeljauw), geb. vóór ca. 1675, ovl. na 1731, procedeert als voogdes van haar dochter te Utrecht (1708),
woont te Utrecht (1711, 1714),
komt zeer vaak voor in Not. Archief Utrecht,
tr. 1o voor 1697[198]
Johan van Royen, ged. Utrecht 15-3-1674, ovl. 1697-1708, zn. van Nicolaas van Royen en Geertruid van Hamel.
draagt met echtgenote onroerend goed te Walcheren over (1697),
tr. 2o voor 1708
Nicolas Vermeurs, ovl. 1718-1729, schipper van 't kleine trekschuiteveer van Utrecht op Amsterdam (1709..1718),
Hieruit verder nageslacht bekend.
|
Referenties van de gegevens van generatie 3 staan ook hier
Referenties Fragment Genealogie Cabeljau --- Generatie 3 ( 198 refs.) Referenties voorafgegaan door het ⇒ symbool verwijzen naar (aanklikbare) externe url's waarvan alleen het laatste deel van de naam wordt vermeld. |
- ONA Rotterdam passim
- zie ook NL 79(1962)68
-
- ONA Rotterdam, passim
- NL 79(1962)68
- ONA Rotterdam, Nots. Gerrit Jansz van Woerden, inv. nr. 26, Aktenummer/Blz. 265/552
- ONA Rotterdam, Nots. Jacob Duyfhuysen, inv. nr. 49, Aktenummer/Blz. 11/17
- ONA Rotterdam, Nots. Jacob Duyfhuysen, inv. nr. 49, Aktenummer/Blz. 126/209
- ONA Rotterdam, Nots. Jacob Duyfhuysen, inv. nr. 49, Aktenummer/Blz. 100/167
- ONA Rotterdam, Nots. Jacob Duyfhuysen, inv. nr. 36, Aktenummer/Blz. 61/153
- ONA Rotterdam, Nots. Jacob Duyfhuysen, inv. nr. 37, Aktenummer/Blz. 22/50
- GA Amsterdam ONA 200, Not. J. F. Bruyning, film 111, gecit. in ⇒ montias
- ANF 1, jaar 2(1884) nr129 p4
- ONA Rotterdam, Nots. Willem Jacobsz., inv. nr. 60, Aktenummer/Blz. 93/319 en 321
- ONA Rotterdam, Nots. Adriaan Kieboom, inv. nr. 149, Aktenummer/Blz. 239/409
- ONA Rotterdam, Nots. Adriaan Kieboom, inv. nr. 149, Aktenummer/Blz. 328/548
- ONA Rotterdam, Nots. Jacob Cornelisz van der Swan, inv. nr. 185, Aktenummer/Blz. 185/246
- ONA Rotterdam, Nots. Arnout Wagensvelt, inv. nr. 129, Aktenummer/Blz. 126/383
- ONA Rotterdam, Nots. Arnout Wagensvelt, inv. nr. 129, Aktenummer/Blz. 218/661
- ONA Rotterdam, Nots. Arnout Wagensvelt, inv. nr. 138, Aktenummer/Blz. 257/411
- ONA Rotterdam, Nots. Arnout Wagensvelt, inv. nr. 145, Aktenummer/Blz. 101/176
- ONA Rotterdam, Nots. Nicolaas Vogel Adriaansz, inv. nr. 168, Aktenummer/Blz. 16/25
- ONA Rotterdam, Nots. Arnout Wagensvelt, inv. nr. 138, Aktenummer/Blz. 280/445
- ONA Rotterdam, Nots. Arnout Wagensvelt, inv. nr. 133, Aktenummer/Blz. 84/168
- ONA Rotterdam, Nots. Arnout Wagensvelt, inv. nr. 145, Aktenummer/Blz. 138/255
- ONA Rotterdam, Nots. Arnout Wagensvelt, inv. nr. 138, Aktenummer/Blz. 335/527
- ONA Rotterdam, Nots. Arnout Wagensvelt, inv. nr. 129, Aktenummer/Blz. 323/936
- ONA Rotterdam, Nots. Jacobus Delphius, inv. nr. 401, Aktenummer/Blz. 31/53
- ONA Rotterdam, Nots. Jacobus Delphius, inv. nr. 380, Aktenummer/Blz. 241/385
- ONA Rotterdam, Nots. Jacobus Delphius, inv. nr. 366, Aktenummer/Blz. 168/354
- ONA Rotterdam, Nots. Johan Cooll, inv. nr. 420, Aktenummer/Blz. 36/60
- ONA Rotterdam, Nots. Jacobus Delphius, inv. nr. 354, Aktenummer/Blz. 290/866
- ONA Rotterdam, Nots. Jan Egbertsz van der Heul, inv. nr. 417, Aktenummer/Blz. 84/153
- ONA Rotterdam, Nots. Arnout Wagensvelt, inv. nr. 129, Aktenummer/Blz. 379/1094
- ONA Rotterdam, Nots. Jacobus Delphius, inv. nr. 402, Aktenummer/Blz. 313/622
- ONA Rotterdam, Nots. Jacobus Delphius, inv. nr. 366, Aktenummer/Blz. 212/436
- ONA Rotterdam, Nots. Jacobus Delphius, inv. nr. 355, Aktenummer/Blz. 32/77
- ONA Rotterdam, Nots. Arnout Wagensvelt, inv. nr. 129, Aktenummer/Blz. 324/938
- ONA Rotterdam, Nots. Jacobus Delphius, inv. nr. 402, Aktenummer/Blz. 400/766
- ONA Rotterdam, Nots. Jacobus Delphius, inv. nr. 355, Aktenummer/Blz. 131/336
- ONA Rotterdam, Nots. Jacobus Delphius, inv. nr. 367, Aktenummer/Blz. 6/11
- ONA Rotterdam, Nots. Jacobus Delphius, inv. nr. 367, Aktenummer/Blz. 9/19
- ONA Rotterdam, Nots. Jacobus Delphius, inv. nr. 367, Aktenummer/Blz. 20/42
- ONA Rotterdam, Nots. Jacobus Delphius, inv. nr. 356, Aktenummer/Blz. 152/548
- ONA Rotterdam, Nots. Adriaan Kieboom, inv. nr. 154, Aktenummer/Blz. 330/523
- ONA Rotterdam, Nots. Arent van der Graeff, inv. nr. 337, Aktenummer/Blz. 304/635
- ONA Rotterdam, Nots. Arnout Wagensvelt, inv. nr. 145, Aktenummer/Blz. 161/303
- Album Studiosorum Academiae Lugduno-Batavae, 1575-1875, 's-Gravenhage, 1875
- ONA Rotterdam, Nots. Adriaan Kieboom, inv. nr. 154, Aktenummer/Blz. 330/523
- ONA Rotterdam, Nots. 182/588, inv. nr. 357, Aktenummer/Blz. 182/588
- ONA Rotterdam, Nots. Jan van Aller Az., inv. nr. 93, Aktenummer/Blz. 201/318
- ONA Rotterdam, Nots. Adriaan Kieboom, inv. nr. 149, Aktenummer/Blz. 620/1023
- ONA Rotterdam, Nots. Arnout Wagensvelt, inv. nr. 145, Aktenummer/Blz. 101/176
- ONA Rotterdam, Nots. Jacobus Delphius, inv. nr. 380, Aktenummer/Blz. 241/385
- ONA Rotterdam, Nots. Arnout Wagensvelt, inv. nr. 138, Aktenummer/Blz. 397/612
- RAL, ONA Leiden, Nots. Kaerl Outerman, Archiefnr. 506, inv. nr. 446, akte nr. 275
- RAL, ONA Leiden, Nots. Jacob Jansz de Haes, Archiefnr. 506, inv. nr. 464, akte nr. 3 dec
- ONA Rotterdam, Nots. Arnout Wagensvelt, inv. nr. 129, Aktenummer/Blz. 242/728
- ⇒ familienamen.html
- ⇒ familienamen.html
- ⇒ familienamen.html
- ONA Rotterdam, Nots. Jan van Aller Az., inv. nr. 78, Aktenummer/Blz. 295/563
- ORA Dordrecht, inv. 766, f50, d.d. 17-10-1626, gecit. in ⇒ www.andredenhaan.ismijnpassie.nl
- NL 39(1921)233
- NL 39(1921)92
- ONA Rotterdam, Nots. Willem Jacobsz, inv. nr. 66, Aktenummer/Blz. 178/515
- NL 39(1921)233
|
- NL 39(1921)233
- GAA, Transportakten voor 1811; NL-SAA-21581414
- GAA, Transportakten voor 1811; NL-SAA-21619737
- GAA, Transportakten voor 1811; NL-SAA-21582393
- GAA, Transportakten voor 1811; NL-SAA-21623079
- GAA, Transportakten voor 1811; NL-SAA-21731063
- GAA, Transportakten voor 1811; NL-SAA-21574508
- GAA, Transportakten voor 1811; NL-SAA-21624617
- GAA, Transportakten voor 1811; NL-SAA-21624616
- GAA, Transportakten voor 1811; NL-SAA-21643156
- GAA, Transportakten voor 1811; NL-SAA-21581051
- GAA, Transportakten voor 1811; NL-SAA-21618211
- GAA, Transportakten voor 1811; NL-SAA-21619737
- GAA, Transportakten voor 1811; NL-SAA-21574466
- GAA, Transportakten voor 1811; NL-SAA-21575087
- ⇒ 0132.html
- NNBW deel 5, ⇒ www.dbnl.org
- Svenskt biografiskt handlexikon, sub voce Cabeljau, ⇒ sbh
- NL 79(1962)26
- Nav. 38(1888)103
- ⇒ 0132.html
- NL 79(1962)26
- Svenskt biografiskt handlexikon, sub voce Cabeljau, ⇒ sbh
- ⇒ 0074.html
- NNBW deel 7 kol. 259, ⇒ nnbw
- NNBW deel 3 / kol. 766
- NNBW deel 7
- Nav. 12(1862)274
- GA Rotterdam, ONA, Nots. Gerrit Jansz van Woerden, inv. nr. 23, Aktenummer/Blz. 39/87
- NL 79(1962)68
- ONA Rotterdam
- GA Rotterdam, ONA, Nots. Jacob Symonsz, inv. nr. 12, Aktenummer/Blz. 112/412
- zie ook NL 79(1962)68
- Svenskt biografiskt handlexikon, sub voce Cabeljau, ⇒ sbh
- ⇒ pf607d611.html
- ANF 5(1988)171
- ANF 6(1989)2
- NA, Inventaris van het archief van de Oude West-Indische Compagnie (Oude WIC), 1621-1674 (1711), nr. 1.05.01.01, inventarisnummer: 59, (18)
- ⇒ 0132.html
- ⇒ www.dbnl.org
- Svenskt biografiskt handlexikon, sub voce Cabeljau, ⇒ sbh
- ⇒ sv.wikipedia.org
- ⇒ pf607d611.html
- ⇒ sv.wikipedia.org
- Gustaaf Asaert, 1585 De val van Antwerpen en de uittocht van Vlamingen en Brabanders, Tielt, 2004
- ⇒ mecenaat_begunstigden.htm
- Gustaaf Asaert, 1585 De val van Antwerpen en de uittocht van Vlamingen en Brabanders, Tielt, 2004
- ⇒ pf607d611.html
- Thomas Hall, Planning and Urban Growth in the Nordic Countries, Londen, 1991, ⇒ books.google.nl
- Gustaaf Asaert, 1585 De val van Antwerpen en de uittocht van Vlamingen en Brabanders, Tielt, 2004
- ⇒ pf607d611.html
- Svenskt biografiskt handlexikon, sub voce Cabeljau, ⇒ sbh
- ⇒ pf607d611.html
- ⇒ nu-r-kyrkokartanse-klar.html
- ⇒ pf607d611.html
- NL 60(1942)20 e.v.
- ⇒ www.inghist.nl
- ONA Rotterdam, Nots. Jacob Duyfhuysen, inv. nr. 47, Aktenummer/Blz. 138/203
- Dodt, Archief; V. deel.
- ⇒ vada_socken.htm
- ⇒ www.svenskakyrkan.se
- CBG
- ⇒ vada_socken.htm
- ⇒ kungalistaG.htm#Gustav1616
- Svenskt biografiskt handlexikon, sub voce Cabeljau, ⇒ sbh
- ⇒ Af_Wasaborg_nr_6
- ⇒ index.php
|
- ⇒ Af_Wasaborg_nr_6
- Staatsarchief Zweden, Axel Oxenstiernas brev och skrifter 1636-1654, ⇒ www.statensarkiv.se
- ⇒ kungalistaG.htm#Gustav1616
- ⇒ W.Gustav%20Vasa.htm
- ⇒ gustav1swedendesc.htm
- ⇒ www.poltsamaa.ee
- ⇒ Slaget_ved_Fehrbellin
- ⇒ Slaget_vid_Fehrbellin
- ⇒ 75
- NL 60(1942)20 e.v.
- NL 60(1942)20 e.v.
- NL 60(1942)20 e.v.
- NA 40(1942)18
- Gen. Her. Bladen 9(1914)71
- NL 60(1942)20 e.v.
- Repertoria vertegenwoordigers in Nederland en in het buitenland 1584-1810, ⇒ www.historici.nl
- Repertoria vertegenwoordigers in Nederland en in het buitenland 1584-1810, ⇒ www.historici.nl
- Repertoria vertegenwoordigers in Nederland en in het buitenland 1584-1810, ⇒ www.historici.nl
- Album Studiosorum Academiae Lugduno-Batavae, 1575-1875, 's-Gravenhage, 1875
- ANF 12(1895)247
- Nav. 41(1891)524
- Nav. 38(1888)236
- Nav. 41(1891)524
- Repertoria vertegenwoordigers in Nederland en in het buitenland 1584-1810, ⇒ www.historici.nl
- Gen. Her. Bladen 9(1914)73
- Gen. Her. Bladen 9(1914)73
- NA 45(1952)487
- NA 45(1952)487
- NL 60(1942)20 e.v.
- Van der Aa
-
- NL 60(1942)20 e.v.
- NA
- GA Leiden, Toegang: 504, Archieven van de gasthuizen, nr. 868A, ⇒ www.leidenarchief.nl
- Nav. 17(1867)88
- ONA Rotterdam, Nots. Gerrit Jansz van Woerden, inv. nr. 28, Aktenummer/Blz. 75/142
- Nav. 17(1867)87
- Nav. 17(1867)87
- Nav. 17(1867)87
- Nav. 17(1867)87
- Nav. 17(1867)87
- Nav. 17(1867)87
- Nav. 17(1867)87
- Nav. 17(1867)87
- Posthumus, Bronnen tot de geschiedenis van de Leidsche textielnijverheid 1333-1795, 's-Gravenhage, 1910
- Posthumus, Bronnen tot de geschiedenis van de Leidsche textielnijverheid 1333-1795, 's-Gravenhage, 1910
- Posthumus, Bronnen tot de geschiedenis van de Leidsche textielnijverheid 1333-1795, 's-Gravenhage, 1910
- Posthumus, Bronnen tot de geschiedenis van de Leidsche textielnijverheid 1333-1795, 's-Gravenhage, 1910
- Posthumus, Bronnen tot de geschiedenis van de Leidsche textielnijverheid 1333-1795, 's-Gravenhage, 1910
- Posthumus, Bronnen tot de geschiedenis van de Leidsche textielnijverheid 1333-1795, 's-Gravenhage, 1910
- Posthumus, Bronnen tot de geschiedenis van de Leidsche textielnijverheid 1333-1795, 's-Gravenhage, 1910
- Posthumus, Bronnen tot de geschiedenis van de Leidsche textielnijverheid 1333-1795, 's-Gravenhage, 1910
- RAL, ONA Leiden, Nots. Kaerl Outerman, Archiefnr. 506, inv. nr. 424, akte nr. 094 en 105
- RAL, ONA Leiden, Nots. Kaerl Outerman, Archiefnr. 506, inv. nr. 425, akte nr. 024 en 025
- RAL, ONA Leiden, Nots. Kaerl Outerman, Archiefnr. 506, inv. nr. 438, akte nr. 128 en 129
- RAL, ONA Leiden, Nots. Kaerl Outerman, Archiefnr. 506, inv. nr. 424, akte nr. 094
- RAL, ONA Leiden, Nots. Kaerl Outerman, Archiefnr. 506, inv. nr. 424, akte nr. 020
- RAL, ONA Leiden, Nots. Kaerl Outerman, Archiefnr. 506, inv. nr. 424, akte nr. 025
- ⇒ pafg23.htm#566
- ONA Rotterdam, Nots. Adriaan Kieboom, inv. nr. 150, Aktenummer/Blz. 597/938
- ANF 2(1885)50
- GA Leiden, Toegang: 519 - Archief van het Heilige Geest- of Arme Wees- en Kinderhuis te Leiden, 1334 - 1979, nr. 771
- GA Leiden, Toegang: 519 - Archief van het Heilige Geest- of Arme Wees- en Kinderhuis te Leiden, 1334 - 1979, nr. 772
- ANF 16(1903)74
|