Infor-
matie.

                                              Nadruk Verboden.

            PHILOSOPHIE DER WERELDGESCHIEDENIS.
   aan de hand van Hegels "Philosophie der Weltgeschichte"

door Mr.Drs.A.Börger                              Aflevering 30.


   Naast de scholastische wijze van denken vinden wij de ver-
dieping van het godsdienstig besef, waarvan de meest uitgesproken
vorm het monnikenwezen was, dat op zijn beurt de individuen be-
invloedt. Zoo brak de godsdienst de trotsche, natuurlijke wil
der Germanen, richtte hun hart op andere doelen, dan die waar-
voor zij zich druk maken met al hun hartstocht en dapperheid,
en bracht hen tot het inzicht, dat zij in al dit wereldlijke
gedoe geen vrede vonden, maar dat deze slechts te bereiken is
door afstand te doen.
Anders gezegd: de godsdienst voert tot negatie van het wereld-
lijke, welke negatie zich ook vertoont als verandering van het
recht, dat van wereldlijk kerkelijk wordt. Dit was vooral van
belang t.a.v. de misdaad; bloedwraak en dgl. worden vervangen
door rechtspraak; moord wordt misdaad en ook de huwelijkswet-
geving wordt onder de jurisdictie der kerk geplaatst, zelfs
waar het de vorsten betreft, die omtrent het huwelijk er vaak
zonderlinge opvattingen op na hielden, en hierin niet de
eenigen waren.
Verder grijpt de kerk in in het particuliere leven en mengt
zich, juist doordat zij èn de vorsten èn de onderdanen in haar
rechtsspheer trekt, in de verhouding tusschen vorst en volk.
Zoodoende is de kerk tot heerschappij gekomen in het wereldlijke
en het geestelijke; zij is voltooid.
Maar omdat zij veruiterlijkt was, kon zij de tegenstrijdigheid
in het wezen der individuen niet opheffen, bleef de gruwelijk-
ste barbarij samengaan met de grootste vroomheid.
Men spreekt gaarne van de Middeleeuwen als van een schoonen
ouden tijd, en let dan op de cultureele uitingen ervan, maar
ziet daarbij over het hoofd, dat deze tijd de verschrikkelijk-
ste was, welke Europa ooit gekend heeft.
Dit echter dient begrepen te worden en alleen de philosophie
kan dit en daarom kan ook alleen zij deze gruwelijke wildheid
logisch rechtvaardigen.
De geest was zich nog slechts onmiddellijk bewust van zijn
waarheid, verhield zich nog slechts an sich tot zijn waarheid,
welke nog niet voor zich was, want nog niet in zijn diepte gevat,
nog niet begrepen. De geest begreep zijn waarheid nog niet als
zijn waarheid.
Omdat de waarheid nog niet voor zich was, was het voor-zich-
zijn nog niet de waarheid.


                          -2-

En juist omdat de christelijke waarheid een zoo diepe waarheid
is, was de tegenstelling tusschen waarheid en werkelijkheid zoo
ontzettend scherp; wel was er het denken, maar de waarheid was
nog het andere, er was nog geen begrip van de eenheid van het
eene en het andere. Wel kende men de waarheid, maar begreep
ze niet.
De tegenstelling echter was noodwendig, omdat het bewustzijn
nog slechts onmiddellijk was; de menschelijke geest begreep
zijn waarheid nog niet als zijn waarheid, stond er nog tegen-
over als tegenover het vreemde, maar deze vervreemding is nood-
wendig, wil de verzoening komen.

Waardoor het leven zoo gruwelijk wreed was ?
De mensch steunde slechts op en vond bescherming in eigen
kracht; er was nog geen rechtsordening; alles was willekeur.
En zoodoende was de wereld in de grootste bedrijvigheid, omdat
elke individu waakte en streed voor zichzelf; in het wereldlijke
moest ieder voor zich zorgen, wilde hij niet onder den voet
geloopen werden.
Daarnevens garandeerde de kerk de eeuwige zaligheid, wanneer men
haar voorschriften slechts gehoorzaamde; men kon de wereld ge-
nieten zooveel en zooals men wilde zonder eenig risico voor het
geestelijk heil, want de kerk gaf voor elke schurkerij en on-
recht, voor alle gemeenheid aflaat.

Onzekerheid, willekeur, wreedheid, onrecht - dit alles dreef de
menschen ertoe zekerheid te zoeken.
Eerst zocht men dit door de bescherming te vragen aan een mach-
tige; maar hierdoor verloor men de vrijheid.
De burcht deed de stad ontstaan, als opeenhooping van hen, die
bescherming van den burchtheer vroegen, en zoodoende ontstond
de burger, maar als onvrije.
Waar vele samenzijn en in gelijksoortige verhoudingen leven,
ontstaat de behoefte aan organisatie, omdat de mensch in wezen
redelijk is en zoo komt het tot samenwerking en tot het stellen
van gemeenschappelijke doeleinden. Men bouwt niet alleen won-
derschoone kerken, waarin God wonen kan en waarin het heilige
is afgezonderd van het wereldlijke, maar ook bouwwerken voor
een wereldlijk gemeenschappelijk doel, om te beginnen een toren
met een stormklok erin. Men begint n.l. te beseffen, dat door
samenwerking aan de willekeur van den heer paal en perk ge-
steld kan worden.
De oude Germanen waren vrije mannen geweest; vrijheid is hun
principe; maar de vrijheid was tot volslagen onvrijheid ver-


                          -3-

keerd - desondanks wil het principe zich ontwikkelen en zoo
herleeft het streven naar vrijheid.
Aan de drang tot organisatie, ook tegen den heer valt te bedenken,
dat dit beteekent, dat de stad zich ontwikkelt tot een eerste
rechtsorganisatie, want zij verzet zich tegen het geweld der
feodaliteit, tegen het  principe, dat ieder onderworpen was
aan de macht van een sterkere, en deze weer aan de macht van
wie nog sterker waren.
Bovendien leidde de samenwerking tot gemeenschappelijk handelen
op het gebied van handel, nijverheid en wetenschap.
Aanvankelijk drukte de vuist van den heer op alle eigendom, alle
handel en nijverheid; voor alles had men zijn toestemming noodig,
maar naarmate de burgerij sterker werd, kocht zij deze verplich-
tingen af (privileges) of nam ze met geweld.
Dit alles verliep niet eenvoudig en kostte onnoemelijk veel
strijd en bloed, al wisten de burgers ook ruimschoots gebruik
te maken van de rivaliteit tusschen de heeren en in het bijzon-
der van die tusschen de candidaat-bisschoppen, die gekozen wer-
den door de gemeente en hun gunst kochten door het geven van
privileges.
De steden groeiden zoodoende meer en meer uit tot vrije repu-
blieken, waarin overigens lang niet alles koek en ei was, want
de rijke burgers trachtten altijd de overigen van het staats-
bestuur uit te sluiten en zoo was er ook altijd in de stad
strijd, met als gevolg een voortdurende verandering in de
stedelijke organisatie.
Vaak gaf men ter wille van de onpartijdigheid de opperste leiding
aan een vreemden adellijken heer, maar aangezien deze zijn ambt
alleen gebruikte voor persoonlijke doeleinden, duurde dit slechts
kort.
Het mag bij dit alles verwondering wekken, dat handel en nijver-
heid zoozeer bloeiden te midden van het onafgebroken geharrewar,
maar dit is verklaarbaar uit het feit, dat hetzelfde principe
van bedrijvigheid, waarover wij hierboven spraken, zich ook
liet gelden op ander gebied, dan op dat der politieke zelfbe-
scherming. De burger streefde ook naar zelfbescherming en wereld-
lijke macht door zich economisch sterk te maken, terwijl boven-
dien de stadbewoner zijn energie op andere wijze moest reali-
seeren, als de bewoner van het platteland.

                       De kruistochten.

Het christendom had zich reeds in Karel den Grooten een
wereldlijken arm gegeven, d.w.z. de geestelijke en de wereldlijke


                           -4-

macht werkten in principe samen en waar de kerk oppermachtig
werd, kon het gemeenschappelijke doel slechts zijn het doel der
kerk: de verbreiding van het christendom.
Dit is vanzelfsprekend, omdat Europa in wezen christelijk is en
dus ondanks alle uiterlijken strijd in den grond der zaak het
christendom moet trachten te verwerkelijken.
Uitteraard wordt dit doel eerst in de uiterlijkheid gezocht,
want de kerk was volkomen veruiterlijkt: hostie, wonderkrachtige
beelden, plaatsen waar wonderbaarlijke genezing te vinden was,
reliquien, enz.
Maar één uiterlijkheid, de grootste en heiligste, de eenige wat
van Christus' verblijf op aarde nog was overgebleven, bezat zij
niet: het heilige graf. Het werd als der christenheid onwaardig
beschouwd, dat dit in handen der ongeloovigen was, het heilige
land, de hoogste reliquie.
Van Christus zelf waren geen reliquien voorhanden, want hij
was ten hemel gevaren; wel waren er talrijke splinters van het
kruis en was er de zweetdoek, waarmede zijn gelaat tijdens den
lijdensweg was afgedroogd, maar het graf en ruimer nog het
heilige land bezat de christenheid niet.
De onmiddellijke aanleiding tot de kruistochten waren de klachten
der pelgrims over de houding der Saracenen.
Het Avondland maakte zich op om in zijn geheel tegen het Morgen-
land op te trekken.
Het was de derde maal in de geschiedenis:
1) de Grieken tegen Troje.
2) Alexander de Groote tegen Perzië.
3) de kruistochten.

Slechter voorbereide veldtochten zijn waarschijnlijk nooit
voorgekomen. Men begon in Europa als voorspel met het uitplun-
deren en vermoorden van duizenden Joden.
Voorop schreed Peter van Amiens met een enorme horde gespuis,
welke niet anders deed dan moorden en plunderen, maar ten koste
van ontzagwekkende verliezen.
Eerst op den duur kwam er meer orde in de beweging en tenslotte
veroverden werkelijke legers het geheele heilige land. Ook hier
toont zich de tegenstelling, waarover wij hiervoor spraken:
Jerusalem werd uitgemoord; de legende verhaalt, dat de kruis-
vaarders tot aan de knieën door het bloed waadden.
Dit verhinderde niet, dat zij op het graf en andere heilige
plaatsen de meest innige gebeden opzonden - een godsdienstige
razernij a.h.w.


                          -5-

Honderdduizenden waren omgekomen, ook duizenden kinderen (de
kinderkruistocht), van wie geen enkele terugkeerde.
Men zond scheepsladingen aarde vanuit het heilige land naar
Europa, organiseerde het land volkomen verkeerd en verloor het
weer.
Toch waren de ontzettende offers niet tevergeefs geweest.
Men bezat nu het graf, maar het graf is de negatie van het
aanwezig-zijn. Het graf was leeg en het eenige wat er nog in
vergaan kon, was de verkeerde opvatting, dat de laatste waarheid
in de zinlijke uiterlijkheid te vinden is.
Wat de christenheid terugbracht uit Jeruzalem was het tegendeel
van wat zij er gezocht had; zij had hier haar laatste waarheid,
haar diepste, innerlijkste waarheid niet gevonden.
Hegel citeert hierbij Lucas 24, 5 : "Wat zoekt gij de levenden
bij de dooden ? Hij is niet hier; hij is opgestaan".
De waarheid van den godsdienst is geestelijk en kan slechts
in den geest gevat worden.
Doordat de christenheid teleurgesteld was, verloor zij het
heilige land weer.
Na de kruistochten is de christenheid nooit meer als een geheel
opgetreden.

Behalve deze kruistochten trok men ook uit tegen de Pruisen
en Litauers en tegen de Saracenen in Spanje, ofschoon deze
laatste oorlog niet zuiver het karakter van een kruistocht
droeg; wel had hij een sterk godsdienstigen inslag.
Tenslotte vermelden wij nog de kruistocht tegen de ketters in
Zuid-Frankrijk.
Dominicus, stichter der Dominicaner-orde, ging er heen met
machtige legers, die het land totaal verwoestten en tienduizen-
den vermoordden, schuldig of onschuldig.
Het kruis droop van bloed.
Hier vinden wij dan nog een gevolg van de kruistochten: de
vereeniging van het godsdienstige met het militaire, het
bloediger en moorddadiger worden van het christendom: de over-
gangsphase naar de inquisitie en den brandstapel.

De kruistochten waren de uiteindelijke voltooiing van de macht
der kerk, want hierbij stond de paus onbetwist aan het hoofd,
ook boven den keizer. Niemand kon de kerk meer met goed gevolg
tegenstand bieden. En toch zou zij ondergaan.
                             ---